Viooltjes

‘Er zijn een weinig bloemen die minder op waarde geschat worden dan het viooltje,’ begint broeder Elvis, terwijl hij een een groepje van zes leerlingen uit groep vijf van RK Basisschool de Triangel door de paterstuin van het Frater Mauritshof leidt. ‘In de bijbel staat het viooltje voor nederigheid. Wij zijn hier slechts op aarde om te dienen. Om anderen te helpen. Om lief te hebben. Maar, en dat weten veel mensen niet: sommige viooltjes hebben meerdere kleuren: paars, geel, blauw, rood, noem maar op. Een driekleurig viooltje is dan weer het symbool voor vrijdenkerij.’

Elke week laat Juf Hannah een klein groepje van haar klas met Broeder Elvis meegaan, de fraterstuin in. De druk op school is hoog, en met het groeiende aantal rugzakleerlingen en leerlingen met gedragsproblemen, zijn de donderdagochtendsessies van Broeder Elvis een verademing. Hij haalt ze op van school, om negen uur, en brengt ze om half twaalf weer netjes terug. De kinderen dringen elke week om met Elvis mee te mogen. Afgelopen jaar hing Hannah een groot Elvisrooster aan de muur van het lokaal. Zo leerden de kinderen, door aanwezigheid van de bejaarde frater, niet alleen wat over catechese, maar ook over de natuur, én het aflezen van iets abstracts als een maandrooster. Broeder Elvis brengt al twee jaar lang rust, regelmaat en leerrendement naar de klas van Juf Hannah. Zoals het een rechtgeaarde broeder betaamt.

‘Kijk,’ gaat Elvis verder. ‘Kijk hier, kom allemaal maar wat dichterbij.’ Zijn zes protegéés komen wat dichter bij hem staan, terwijl hij door zijn knieën zakt om wat van het hoge gras aan de kant te schuiven. ‘Zien jullie dit? Elk viooltje heeft vier blaadjes. Ze zeggen ook weleens over het viooltje, dat het geluk en gezondheid brengt om de eerste drie blaadjes op te eten.’

‘Pardon? Opeten?’ antwoordt Lindy.

‘Zeker, wacht. Er staan er genoeg.’

Broeder Elvis plukt een viooltje dat bij zijn linkervoet uit de grond komt. ‘Toe maar, jongens, er staan er genoeg.’

‘Ik lust geen viooltjes,’ zegt Ashton, terwijl hij met zijn buik een beetje tegen de rug van Broeder Elvis aan leunt. Elvis sluit zijn ogen een fractie van een seconde en ademt een keer diep in.

‘Het smaakt als sla, Ashton, probeer maar,’ antwoordt Elvis, en hij plukt een geel viooltje voor het ventje.

‘Ik lust geen sla. Als wij sla eten krijg ik thuis altijd erwtjes.’

‘De legende gaat, dat als je de eerste drie blaadjes van een viooltje eet, je de rest van het jaar geen last hebt van kiespijn en koorts.’

‘Serieus?’ vraagt Lindy, haar eigen viooltje argwanend bestuderend.

‘Serieus. Ik heb nooit kiespijn, en nooit koorts.’

‘En u eet altijd viooltjes?’

‘Zeg maar jij hoor! En: ieder jaar ééntje. Tenminste: de eerste drie blaadjes ervan. En vandaag is het viooltjesdag.’

Ook Madeleine komt nu wat dichter bij Broeder Elvis zitten. Ze zit praktisch tegen hem aan. Ze legt haar hoofd tegen zijn bovenbeen aan.

‘Maakt het uit welke kleur ik pak?’

‘Meisje, je mag de kleur pakken die het dichtst bij je hart ligt.’

*

Broeder Elvis werd geboren in 1935 in Turnhout, als Mats Verflancken, de zoon van binnenschipper Mats Senior, en Nele Lievaerts-Verflancken. Mats en Nele leerden elkaar kennen tijdens een bingoavond. Mats was met zijn moeder, Bea Verflancken, mee, om te helpen met het afstempelen van de bingokaarten. Bea stond in heel Turnhout bekend als Bea Bingo, omdat ze al sinds haar allereerste bingoavond steevast met de beste prijzen ervandoor ging. Nele, de dochter van de eigenaars van Bingobar-Dancing Wheels of Joy, stond die avond voor het eerst achter de bar. Mats is om moed te verzamelen eerst zestien pinten bij haar gaan bestellen, en had haar, en daarmee zichzelf, daarna achter de bingobar-dancing ontmaagd. Het eindresultaat was Mats Junior. De bruiloft was een bescheiden feestje voor vrienden en familie, een klein halfjaar voor Juniors geboorte.

*

‘Eigenlijk valt het best mee,’ zegt Lindy opgelucht, nadat ze de drie blaadjes van een paars viooltje na lang kauwen eigenlijk heeft doorgeslikt. Ashton knikt enthousiast.

‘Dit proeft helemaal niet als sla, broeder Elvis. Ik wil er nog wel één!’

‘Ho, ho, jongens, ieder jaar ééntje. Het leven dient met mate geleefd te worden. Van het uitbundige is er al meer dan genoeg in de wereld. Het gaat erom dat je jezelf kunt inhouden. Dat je jezelf onder controle hebt. God heeft ons gemaakt om beheerst de dag door te gaan. Kortom: volgend jaar weer een jaar.’

Elvis pakt Madeleines schouder even vast. Ze kijkt omhoog naar de door de jaren heen wit geworden baard

‘Hupsa, kinderen. We gaan de wandeling weer ondernemen. Op naar juffrouw Hannah. En onthoud: we zeggen niets tegen papa en mama en de juffrouw over de viooltjes,’ zegt Elvis glimlachtend. ‘Dat is tussen ons, en tussen god.’

Terwijl hij zijn laatste zin uitspreekt, spreidt hij zijn armen. ‘Maar eerst wil Broeder Elvis een knuffel van jullie allemaal.’ Een voor een geven de kinderen Broeder Elvis een flinke knuffel. Ashton is de grootste van het groepje, die komt al bijna ter hoogte van Elvis’ navel.

*

Toen Mats veertien was, stak hij in een driftbui zijn moeder dood. De rechter gaf hem de keuze: ontoerekeningsvatbaar het klooster in om de heer te dienen, of zesendertig jaar de cel in. Mats rekende uit dat hij vijftig zou zijn als hij uit de gevangenis zou komen, een leeftijd waarop de potentiële gloriejaren van zijn leven al grotendeels voorbij zouden zijn. Hij liet zich omdopen tot Broeder Aäron en koos voor een leven binnen de kloostermuren. In rap tempo leerde hij de wegen van de Heere, en ontwikkelde hij en rotsvast geloof en een stalen discipline. Nooit meer dacht hij aan Nele Verflancken. Nooit meer dacht hij aan hoe hij haar doodstak omdat ze in een waas van dronkenschap had gegild dat hij haar leven tot een hel had gemaakt.

Nooit meer dacht hij aan hoe zijn vader, wanneer hij weer eens thuis kwam, éérst zijn moeder in elkaar ramde, haar daarna nog te grazen nam, om daarna zijn eigen zoon en pak slaag te geven. Hij dacht alleen nog maar aan god. Tot zijn vijfenzeventigste was Broeder Aaron een vrome en toegewijde frater, in verschillende kloosters. Nu was hij frater in ruste, en had hij zichzelf omgedoopt tot het wat swingendere Broeder Elvis. God had het oogluikend toegestaan.

*

Als Elvis doorloopt, is hij in een flink kwartier wandelen vanaf de basisschool terug op zijn kamer in het Frater Mauritshof. Maar Elvis gaat nog niet terug. Elvis wandelt terug richting het centrum. Ter hoogte van de zonnestudio aan de Korvelseweg kijkt hij een keer om zich heen. De kust is veilig. Hij stapt binnen. Chantalle, het meisje achter de balie kijkt hem aan met een strak gezicht.

‘Ik wil graag van alles een,’ mompelt Elvis.

‘Heb je je netjes gedragen?’

‘Wil je het voelen?’

‘Ik geloof je, Mats,’ antwoordt ze, terwijl ze één keer op haar horloge kijkt, en vervolgens de deur van de studio op slot draait. ‘Kom maar mee. Er is niemand binnen, vandaag. Je hoeft je niet stil te houden.’

Met een gebogen hoofd loopt Broeder Elvis achter het meisje van de zonnestudio aan. Elvis schraapt zijn keel. Er komt iets terug omhoog. Een soort velletje. Worst, misschien? Sla, van zijn ontbijt?

‘Mats! Kom! Niet treuzelen! Luisteren jij, waardeloze valse hond!’

‘Maar, maar,’

‘Niks te maren Verflancken!’

Ineens weet hij het: viooltjes. Hij buigt zijn hoofd en houdt zijn armen vooruit.

 

‘Viooltjes’ verscheen eerder in een speciaal voor Gemeente Tilburg samengestelde editie van Wobby en De Titaan.