Vaarwel, Schone Ad

Een van de fijne dingen aan het hebben van een stamcafé, is dat je er na een tijdje een extra familie bij hebt. Of, nou, nee, meer dan een familie. De stamgasten van café Weemoed in Tilburg zijn mijn vrienden, mijn vijanden, mijn ongemakkelijke ooms, mijn lieve tantes en volslagen vreemden ineen. Ik deel mijn diepste zielenroerselen met ze, boven een duvel. Ik bespreek mijn grootste angsten met ze, na een chouffe of acht. We huilen met elkaar, we schreeuwen met en naar elkaar, we geven elkaar rondjes, we slaan boos elkaars glazen om na een uit de hand gelopen discussie. We omarmen elkaar en we spreken af om over een paar weken het vliegtuig naar Italië te nemen. Gewoon, voor de gein.

Maar bij elkaar thuis komen we niet. We weten niet wanneer we jarig zijn. We bellen elkaar niet op. We gaan naar het café, en dan gaan we weer elk ons weegs. Een innige vriendschap met mensen van wie je soms  niet eens de achternaam kent. In het café zijn achternamen ook niet nodig: de mensen heten Lange Piet, Stapper, Koek Henkhenk, Woef, Rob Staart. Of Schone Ad.

Afgelopen week overleed Schone Ad, de grootste paradijsvogel van het Tilburgse nachtleven. De ongekroonde (of zelfgekroonde) Zonnekoning van de Weemoed. Ad was mijn vriend, voor zover vriendschappen tussen stamgasten kunnen bestaan. Als we elkaar zagen omhelsden we elkaar. Als we spraken, spraken we luid en over Grote Dingen. Over het leven. Over Italië. Over de liefde, muziek, literatuur, kunst. Alles. Samen zijn we dronken geworden en dronken geweest. We hebben ongetwijfeld meermaals ruzie gehad, maar zoals dat gaat in het café: ruzies blijven niet goed tot de volgende dag, want soms kan het zwarte gat van een dronkenschap ook genadig zijn. Als niemand een ruzie herinnert, is het dan nog een ruzie?

Tegelijk was ‘Schone’ Ad de Roij bijna een vreemde voor me. Eén keer kwam ik bij hem thuis. Ik weet niet wanneer hij jarig was, en ik had, eerlijk is eerlijk, nog niet eens de moeite genomen om zijn muziekstukken te luisteren. Ja, afgelopen week, toen ik hoorde dat Ad overleden was. Toen ging ik luisteren. Alles achter elkaar. Had ik het maar eerder gedaan, dan had ik hem kunnen vertellen hoe mooi ik ze vond.

Een laatste verhaal over mijn vriend Schone Ad; ik twijfel of ik het wel moet schrijven en ik twijfel al helemaal over het al dan niet publiceren ervan. Toch doe ik het. Een man als Ad verdient een spectaculair einde. Een flamboyante, excentrieke man als Ad verdient een einde dat bezongen wordt. Verdient een heldendicht. Meerdere. Daar wil ik mijn steentje aan bijdragen.

Zaterdag is zijn uitvaart. Ik kan er niet naar toe, want ik moet werken. De wet heeft geen ruimte voor het overlijden van mede-stamgasten. Het is logisch ook: hoewel mensen als Ad zo dichtbij me staan, staan ze ook ver weg. Toch: het maakt het verdriet niet minder. Maar het is goed zo.

Ik zal zaterdagavond na mijn werk de Weemoed, onze common ground, binnenstappen, en er een glas bier bestellen met een blokje ijs erin. Ik zal hard lachen, mijn schoenen extra glimmend poetsen en een pufje parfum extra opspuiten. Ik zal luid praten over Grote Dingen.

Vaarwel Ad. Je was een van de mooiste en bijzonderste snoeshanen die ik ooit trof. De Weemoed zal nooit meer zo feestelijk ruiken nu je weg bent. Ik mis je.