Ooievaar

De dokter heeft op zich haar tieten best oké vergroot, maar toch zie je het. Het is niet erg dat je het ziet, denk ik, maar je ziet het wel. Het is ook echt niet dat er twee enorme puddingen onder haar huid gespoten zijn, maar je ziet wel echt dat het nep is. Misschien is het omdat ik het ben, en omdat ik ze als jonge jongen voor het eerst zag. Nouja, het is best prima gedaan, maar ik zie het in elk geval. Aan de zijkant. Een litteken van een klein sneetje. En ze staan rechtop. Ze zakken niet in als ze op haar rug ligt. Het zijn prima tieten hoor, daar niet van, en het is natuurlijk haar eigen keuze. Het zijn háár handelswaren. Wat heb ik erover te zeggen? Precies. Niets. Maar je ziet het wel. Ze horen niet rechtop te blijven staan.

‘Wat kijk je?’

‘Je ziet het wel hè?’

‘Hè?’

‘Van je tieten. Je ziet het wel.’

Ze haalt een keer diep adem en draait zich om, van haar rug af in mijn richting. Ze kijkt me aan. Dan pakt ze m’n hand vast en duwt hem tegen haar borst aan.

‘En?’ vraagt ze, na een tijdje, terwijl ze mijn duim op haar tepel duwt.

‘En wat?’

‘Vond je het wat?’

‘Vond jíj het wat?’

‘Jawel,’ antwoordt ze. Kon slechter. Kon zeker slechter. Ik heb ze slechter meegemaakt hoor. Erewoord.’

Ze gaat rechtop zitten en pakt een servetje van haar nachtkastje. Ze begint sperma van haar buik af te vegen. Zakelijk. Alsof het vreemd zaad is. Het zaad van een of andere passant.

‘Dat hadden onze kinderen kunnen zijn.’

‘Ja.’

Even zijn we stil. Ik kijk toe hoe ze zichzelf met een papieren servetje schoonveegt. Ze kijkt niet op. Het papier verdwijnt in een vuilnisbakje naast het bed. Uit een pakje sigaretten op het kasje achter de vuilnisbak pakt ze twee sigaretten. Eerst één met haar mond, dan één met haar linkerhand. Die gooit ze mijn kant op.

‘Ik rook niet meer.’

‘Aansteller.’

Ze gaat weer liggen, steekt haar sigaret aan en trekt het laken wat over zichzelf heen.

‘Je tieten blijven rechtop staan.’

‘Ja, ze zijn nep. Nu weten we het wel.’

‘Het is geen verwijt. Ik zeg het alleen maar. Ik vond ze vroeger ook prima.’

Ik pak de sigaret die zij me toegooide.

‘Vuur?’ vraagt ze.

Ze gooit haar aansteker. Ik steekt mijn sigaret aan en pak een stuk laken om mijn pik mee af te vegen. Het laken glijdt van haar af. Ze zucht een hap rook.

‘Hoe veel ehh…’

‘Laat maar,’ antwoordt ze, zonder op te kijken.

‘Ik wil gewoon betalen. Net als iedereen.’

‘Lieverd. Ik zei laat maar.’

Ik pak mijn broek. Zonder te kijken. Mijn shirt, Mijn hemd, mijn sok.

‘Moet ik helpen?’ vraagt ze.

‘Moet ik helpen. Moet ik hélpen. Ik doe het alleen. Ik doe het al jaren alleen. Ik mis mijn linkerbeen; ik ben godverdomme geen mongool.’

Ik trek mijn broek aan. Dan mijn sok, dan mijn schoen. Terwijl ik de grote lus leg, voel ik haar hand op m’n rug.

‘Lief, lief boos jongetje. Mijn lieve boze jongetje.’

‘Weet je wat? Laat maar,’ antwoord ik.

‘Jezus, lieverd, jíj komt hierheen.’

Ik sta op, pak mijn kruk en draai me nog één keer naar haar om. Even kijken we elkaar aan. Dan draai ik me om en loop ik weg, om over twee weken weer terug te komen met een volle zak. Op de gang naar buiten kom ik Kees van Spaandonk tegen, van twee straten verderop. We kijken elkaar even aan met een blik die aan weerszijden meer schaamte verraadt dan we allebei zouden willen.

‘Kees.’

‘Ooievaar.’

‘Klootzak,’ antwoord ik, te zacht voor hem om het te horen.