Omarmen

Vrijdag. Leo laat na de vrijmibo bij Huis Ten Bosch zijn auto op de parkeerplaats staan. Vandaag loopt hij. Terwijl hij aangeschoten naar huis wandelt, groet niemand hem. Als hij naar twee jonge meisjes glimlacht, krijgt hij geen glimlach terug. Daar. Een vrouw van zijn leeftijd. Leo knipoogt naar haar. Geen reactie.

Dan staat Leo stil.

‘Ik ben onzichtbaar,’ mompelt hij voor zich uit. Niemand reageert hem.

‘IK BEN ONZICHTBAAR’ roept hij nu. Niemand kijkt op.

Dan gaat Leo zitten. Er komt een klein beetje zand op zijn pak. Zijn leren schoenen schuren over de stoep. Het was casual friday vandaag, op kantoor. Hij heeft die gezellige schoenen met gespjes aangetrokken.

Leo legt zijn handen op de grond.

‘Zo,’ mompelt hij, tegen niemand. ‘Nu ben ik één met Geertruidenberg. Nu bén ik Geertruidenberg. ‘Ik omarm de mensen. Mijn mensen. Zoals de vesting de mensen omarmt.’

Leo haalt opgelucht adem. Als je een hoed opzet, kun je hem niet meer zien. Als je iemand omarmt, word je onzichtbaar, denkt hij, licht filosofisch.

‘Zo. Zo is het goed.’

Na een halfuurtje begint het koud te worden. De vier trappisten beginnen hun kracht te verliezen. Hij staat op en loopt naar huis. Zijn vrouw vraagt niet waarom hij zo laat is.

Het verhaal ‘Omarmen’ schreef ik in opdracht van het BKKC, voor een speciale uitgave met verhalen over vestingssteden in Brabant.