16-bitliteratuur – eerste deel: Hollow Knight en het eind van de wereld

In de afgelopen jaren zijn er veel videogames voorbij gekomen die zich in meerdere of mindere mate afspelen na het einde der tijde. Post-apocalyptische spellen als Mad Max, misschien wel de vader van het genre, of als The Last of Us. Of Fallout. Eigenlijk zou dit hele artikel over Fallout kunnen gaan. Maar toch gaat het dat niet. Dit verhaal gaat over waarom Hollow Knight (kopen en downloaden kan hier) van Team Cherry éigenlijk de ultieme post-apocalyptische game is en over hoe dat spel, met alle vrijheid die het in zich heeft, het verhaal van de Apocalyps zoveel meer goed doet dan alle andere – of dan andere kunstvormen, vanwege de vormrestricties die ze in zich hebben. Ik snap best dat je vindt dat dit verhaal eigenlijk over Wasteland had moeten gaan. Ik begrijp je, en je hebt misschien wel helemaal gelijk. Ik kom er zo op terug. Want voordat we het over Hollow Knight gaan hebben moeten we eerst iets met elkaar afspreken: wat ís in ’s hemelsnaam de Apocalyps? Volstaat een wereldwijde nucleaire ramp? Volstaat een vloedgolf? Een pestepidemie? Of moeten we het hele bijbelverhaal aanhouden, compleet met de ruiters, Jezus die aanwijst wie oké is en wie niet, en alle dood en verdoemenis die daarna komt? Ik zou zeggen: dat laatste.

In de beeldende kunst hebben ze er behoorlijk wat vat op gekregen, in de afgelopen eeuwen. Mijn zoektocht brengt me bij de Commentaria in Apocalypsin van Beatus (bekijken kan hier), uit de achtste eeuw. Een duidelijk beeld: Jezus bovenin de hemel, die, met een bijbeltje in de hand, geflankeerd door wat engelen, helemaal lekker born ready is voor het laatste oordeel. Onder hem wat aanbidders, wat twijfelaars en wat pechvogels. Zonnetje, maantje, klip en klaar, niks aan de hand, tompoesje erbij, glaasje rosé, en knallen maar.

De gevolgen van een superduidelijke Apocalyps, die tóch, voor ons, de kijker, niet zo interessant is: alles is voorgekauwd, alles staat er al. Het staat er prachtig mooi, maar het staat er wel.

Of Het Laatste Oordeel van Hiëronymus Bosch (bekijk het hier), de Apocalyps onder de apocalypsen. Hoewel een grotesker en gruwelijker beeld, is het tóch vergelijkbaar en overduidelijk: de Drie Goddelijke Boys die naar beneden komen, de mensen die lekker bezig zijn ten opzichte van diegenen die minder lekker bezig zijn en diegenen die jammerlijk het haasje zijn. Zonde, treurnis en verderf. In beide schilderijen druipt de religie, de mythe en de moraal ervan af en is het vooral heel erg duidelijk wat er gaande is en hoe we onszelf ertoe moeten verhouden. 

Bij allebei de werken kunnen we ons er alles bij voorstellen hoe de vlag er na afloop voor hangt: grauw, leeg, vernield en miserabel. Degenen díe het onverhoopt overleefd hebben zijn oftewel diep ongelukkig, ofwel tot het bot getraumatiseerd, verziekt, of in een soort ongenadige overlevingsmodus. De gevolgen van een superduidelijke Apocalyps, die tóch, voor ons, de kijker, niet zo interessant is: alles is voorgekauwd, alles staat er al. Het staat er prachtig mooi, maar het staat er wel. En natuurlijk kunnen nu alle kunsthistorici op hun achterste poten gaan staan, dat er in beide werken voor de oplettende kijker van alles en nog wat aan extra’s ingestopt is, en natuurlijk is dat ook zo. Maar onder de streep is het wat het is, en valt daar weinig aan af te dingen. En het is een schilderij, één moment. We kunnen al kijkend van detail naar detail verdwalen, maar daar houdt het dan ook mee op.

Hoe anders is dat in in het boek The Road, van Cormac McCarthy (koop het hier), waar we van de hele Apocalyps niet heel veel meer weten dan dat de klokken om 01:17 zijn gestopt met tikken en waar de wereld in een kleurloos asgrauw is gedompeld. Toegegeven: in bijbelboek Openbaring van Johannes is vers 1:17 “En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij leide Zijn Rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste”, maar dat hebben wij, de lezers toch echt zelf op moeten zoeken, toen we dat lazen. Aan de hand van McCarthy dolen we met een vader en een zoon door een wereld waarin de laatste inwonenden kannibalen, lijpo’s en/of (potentiële) prooien zijn. The Road is zo gruwelijk als een leven na het einde der tijden kan zijn. In weinig ontzienende taal worden er gaandeweg het verhaal de gruwelen van McCarthy’s wereld uit de doeken gedaan. Pasgeboren baby’s worden aan het spit geregen door kannibalen, mensen gaan gorgelend en pruttelend ten onder; de volledig ontmenselijkte mens, met een groots en meeslepend gebaar en bovenal: heel, heel pijnlijk.

De apocalyps bestaat wat mij betreft bij gratie van de openbaring, van de scheiding van ‘het goede’ en ‘het kwade’ die er volgens mij bij komt kijken.

Omdat er zo weinig voorgekauwd wordt, valt er voor de lezer wél veel meer te genieten dan alleen de vorm van het kunstwerk. Er is zóveel onduidelijk, dat de verbeelding van de lezer meegenomen wordt in de wereld die McCarthy voor ons neerlegt. We kunnen ons inleven in de prachtige personages, en gruwelen van het beeld dat er geschetst wordt. Het zet ons aan het denken, het geeft ons een gevoel van onbehagen. Allemaal eisen waar goede literatuur aan moet voldoen.

Maar, toch twee dingen: ik vind dat een échte Apocalyps een religieuze inslag moet hebben. Een natuurramp kan het einde van de mensheid zijn, maar een Apocalyps? Nee. De Apocalyps bestaat wat mij betreft bij gratie van de openbaring – door een soort godsfiguur – van de scheiding van ‘het goede’ en ‘het kwade’ die er volgens mij bij komt kijken. En, ten tweede: de leegte van de wereld, de brokstukken van een samenleving, die wil ik eigenlijk ervaren zónder aan de hand genomen te worden door een kunstenaar.  Als het even kan, wil ik de desoriëntatie voelen, die de vader en zoon bij The Road hebben, zonder dat hij aan me voorgelegd wordt. Als het even kan, wil ik, hoe mooi McCarthy het ook opschrijft, zélf die ervaring hebben. Ik wil, effectief, zélf vier keer voorbij dezelfde plek komen en steeds wanhopiger worden omdat ik verdwaal. En dat is waar Team Cherry’s Hollow Knight om de hoek komt kijken en de twee beste onderdelen van de (post-)apocalyps aan elkaar knoopt.

In Hollow Knight ben je een keverachtige naamloze protagonist, die aan de buitenkant van een enorme, uitgestorven en verziekte wereld gedropt wordt. Moet je linksaf? Moet je rechtsaf? Wie ben je? Wat is je rol in het geheel? Niemand die het je echt vertelt vertelt. Heel af en toe kom je wat brokstukken van een oude beschaving, een oude religie tegen, maar eigenlijk is het veel te weinig om de puzzel – een puzzel van pakweg vier ‘deïteiten’ die over de rug van het volk een soort eindstrijd proberen te voeren – compleet te krijgen.

In een grimmig decor, met een adembenemende soundtrack, daal je verder en verder af in de wereld van Hallownest, waar de laatste inwonenden pakweg in te delen zijn in drie groepen: kannibalen, lijpo’s en potentiële prooien. Eigenlijk is Hollow Knight Het laatste oordeel van Bosch, in de sfeer van McCarthy, maar nagenoeg zonder de leidende hand van de kunstenaar, die in de beeldende kunst en in de literatuur alleen al door de vorm onmogelijk weg te denken is.

Feitelijk wordt er, aan het begin van het spel gezegd, voordat je begint: ‘Dit is de wereld. Hij is stuk. Komt door van alles en nog wat. Misschien vind je er nog wat over, misschien vind je alles, maar zelfs als je alles vindt, kan het óók nog zomaar zijn, dat alle losse puzzelstukjes alleen maar een schíjn van samenhang geven.”

En dan? Waar heb je dan naar zitten kijken, de hele tijd? Juist: naar de brokstukken van een door een laatste oordeel verloren gegane beschaving. Naar de best mogelijke combinatie tussen de mooiste uitgebreide en uitgelegde apocalyptische schilderijen, en de mooiste post-apocalyptische verhalen.

Volgens mij toont juist Hollow Knight, veel meer dan andere games in het genre, een volledig écht apocalyptisch verhaal. Maar misschien toont het nog wel meer dan dat: hoe videogames nog kunnen gaan waar andere kunsten eigenlijk al niet meer kunnen komen.

16-bitliteratuur; proloog

Het regent en het is november. November 1993, om precies te zijn. Ergens in een rijtjeshuis in Veghel sluipen twee kleine kinderen, onder wie ondergetekende, uit hun slaapkamers om, in tegenstelling tot de huisregels (éérst buitenspelen, dán pas een halfuurtje computeren), van de stilte van de zaterdagochtend gebruik te maken en stiekem Commander Keen 1: Marooned on Mars te spelen. Pong is op dat moment 21 jaar oud,  Mario (toen nog onder de naam ‘Mr. Video’) en Donkey Kong pakweg 12. Van Commander Keen zelf zouden er in de komende tien jaar nog een stuk of zeven videospellen uitkomen. Pokémon Red en Pokémon Blue zijn nog een paar jaar lang toekomstmuziek.

En nu is het 2018, en zijn we vele terabytes aan videospellen verder. De industrie heeft een ongenadig grote bibliotheek, die zichzelf eigenlijk al jaren kan meten met film, muziek, en ja, ook met de literatuur. Tenminste, dat zou je denken. Hoewel ik, naast schrijver, journalist en lezer ook mijn hele leven een gamer gebleven, veel liefde heb voor de kunst van een goed computerspel, lijkt het met de algehele acceptatie van games als kunstvorm nog niet echt vlotten. En daar zit natuurlijk wat in, want laten we wel wezen: Fortnite van Epic Games mag nog niet de veters strikken van Het vlot van Medusa van Géricault en het valt allemaal zeer te bezien of Fifa 19 van EA Sports dezelfde artistieke waarde heeft als, laten we zeggen, Werther Nieland van Gerard Reve. Maar waaróm dan? En we gaan er wel zo makkelijk vanuit, maar ís het ook wel zo?

het valt allemaal zeer te bezien of Fifa 19 van EA Sports dezelfde artistieke waarde heeft als, laten we zeggen, Werther Nieland van Gerard Reve. Maar waaróm dan?

Dus wordt het tijd voor een zoektocht. Een zoektocht langs de genres, op zoek naar díe 8-, 16-, 64-bit of full-hd game die ‘best een tweede Troje zou verdienen’: dát spel waar ik als lezer, kunstliefhebber én als gamer écht mijn hart op kan halen. Waaraan moet een game voldoen om bijgezet te mogen in de annalen  an de kunstgeschiedenis? Waaraan moet überhaupt een goed boek, een goede film, of een goed schilderij voldoen? Welk spel valt door de mand als we het langs de meetlat van de kunsten leggen? En welke kunsten dan?

Is het te moeilijk om te proberen? Is het abject en infaam om te proberen, en vol te houden? Misschien. Waarschijnlijk wel. Er zal vast gemopperd worden, met ogen worden gerold, en er zullen ongetwijfeld afkeurend meerdere paren handen ten hemel geheven worden. Maar dat is nog altijd geen reden om het nie toch te doen.

Dus: kun je Owlboy en Hollow Knight tegen elkaar én tegen De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld afzetten? Waarom moet iemand die Er gebeurde oa. niets van Joubert Pignon met veel plezier las, óók Golf Story eens downloaden – of juist niet? En ís Night in the woods nou écht zo’n literair verwantwoord spel, of is het toch vooral gewoon pathetisch geneuzel waar gamers voor vallen, maar zou het, was het een boek, een lullige 0-sterrenrecensie krijgen van Arie Storm (indien hij nog recensent was bij Het Parool).

Kun je Owlboy en Hollow Knight tegen elkaar én tegen De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld afzetten?

Er wordt al jarenlang geroepen dat we de game-industrie serieus moeten nemen. Bij dezen. Tips in mijn tocht door de verschillende bibliotheken zijn zeer welkom. Eéns per maand publiceer ik, hier, op deze website. Exact duizend woorden per keer, op de eerste zondag van de maand, een jaar lang. Twaalf hoofdstukken, shrines, eindbazen of levels (voor elk wat wils), in totaal. Be there or be Square Enix. 

Nee, dat was geen goed grapje, maar ik laat hem toch staan. Kan mij het verrekken. Ik bevind me sinds vandaag in een niche in een niche in een niche. Dan kan dat ene grapje er ook nog wel bij.

Tot de vijfde.

Geen oudere berichten.