Ben Ali Libi, goochelaar

Als ik de Heikese kerk binnenstap, zit het afgeladen vol. Een man met insignes vertelt me dat ik in principe overal kan gaan zitten waar plek is. Ik loop langs een paar rijen mannen in uniformen. Ze dragen allemaal medailles. Ik knik naar een man met een rood lint om zijn schouders. Hij knikt terug. Dan begint de dienst.

Na de dienst in de kerk lopen we naar het monument van de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene – een monument voor het Nederlands verzet. Een standbeeld voor mensen die geloofden in grote dingen als rechtvaardigheid, vrijheid en verdraagzaamheid, en bereid waren hun leven daarvoor te geven.

Als ik op het monument afloop schiet me ineens een gedachte binnen: die vrijheid en onze rechtsstaat heeft ons veel gebracht. We kunnen zonder gevaar meeleven met een Frans tijdschrift* waar een aanslag op gepleegd wordt. We kunnen allemaal roepen, geloven, tekenen en schrijven wat we willen. We kunnen schelden op de overheid, we kunnen tijdens een bezoek van Poetin in Amsterdam een regenboogvlag hijsen. Het kan eigenlijk allemaal niet op.

Stuk voor stuk kunnen we vrijelijk door de achtertuin van de ratio huppelen. Een achtertuin die aangelegd werd door de mannen en vrouwen van het Nederlands verzet. Omdat ze niet anders wilden en niet anders konden.

Pas op het moment dat de onderbuik van zich laat spreken, wordt er weinig meer gehuppeld. Onze samenleving van rechtvaardigheid en verdraagzaamheid wordt met rode wangen opzij geschoven als het even niet uitkomt. Als het gaat om verdenking van pedofilie, om een juridische dwaling van een allochtone puber, of zomaar een andere verdachte van het een of ander, dan is de ratio vaak even niet meer nodig. En de rechter eigenlijk ook niet. Dan vliegen er kreten over tafel als ‘Als ik zo iemand in mijn handen krijg, dan hak ik zijn tengels of zijn lul eraf.’ Letterlijk citaat.

Als het lelijk wordt, slaan we iemand liever zelf in elkaar dan dat we onze felbevochten rechtsstaat zijn werk laten doen. En dan hoeft iemand nog niet eens honderd procent zeker ergens schuldig van te zijn. Barbertje moet hangen. De wil is er – de meute doet de rest.

Terwijl ik dat denk zet een zenuwachtige trompettist de melodie in die de twee minuten stilte inluidt. Als de jongen klaar is, kijk ik om me heen. Iedereen houdt zich stil. Iedereen herdenkt. Mijn gedachten dwalen weer af. Onze eigen volksvertegenwoordigers willen vluchtelingen geen onderdak bieden, maar ze liefst eigenhandig weer terug de zee in duwen en menig onderbuik knort genoegzaam mee. In het café, in de kantoorkantine en op het voetbalveld, overal klinken dezelfde geluiden: recht en verdraagzaamheid is één ding, het moet niet te ingewikkeld worden.

En precies op dat moment, in de laatste paar seconden van de twee minuten stilte, schiet de één-na-laatste strofe van het gedicht Ben Ali Libi van Willem Wilmink door mijn hoofd.

‘En altijd als ik een schreeuwer zie, met een alternatief voor de democratie, denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar voor Ben Ali Libi, de goochelaar?’

*Deze column schreef ik in 2015 voor het Brabants Dagblad, in de columnserie ‘Neggers viert feest’. Het Franse tijdschrift betrof uiteraard Charlie Hebdo, waarop indertijd een paar maanden eerder een aanslag was gepleegd, die in heel Europa een grote impact had.