Omarmen

Vrijdag. Leo laat na de vrijmibo bij Huis Ten Bosch zijn auto op de parkeerplaats staan. Vandaag loopt hij. Terwijl hij aangeschoten naar huis wandelt, groet niemand hem. Als hij naar twee jonge meisjes glimlacht, krijgt hij geen glimlach terug. Daar. Een vrouw van zijn leeftijd. Leo knipoogt naar haar. Geen reactie.

Dan staat Leo stil.

‘Ik ben onzichtbaar,’ mompelt hij voor zich uit. Niemand reageert hem.

‘IK BEN ONZICHTBAAR’ roept hij nu. Niemand kijkt op.

Dan gaat Leo zitten. Er komt een klein beetje zand op zijn pak. Zijn leren schoenen schuren over de stoep. Het was casual friday vandaag, op kantoor. Hij heeft die gezellige schoenen met gespjes aangetrokken.

Leo legt zijn handen op de grond.

‘Zo,’ mompelt hij, tegen niemand. ‘Nu ben ik één met Geertruidenberg. Nu bén ik Geertruidenberg. ‘Ik omarm de mensen. Mijn mensen. Zoals de vesting de mensen omarmt.’

Leo haalt opgelucht adem. Als je een hoed opzet, kun je hem niet meer zien. Als je iemand omarmt, word je onzichtbaar, denkt hij, licht filosofisch.

‘Zo. Zo is het goed.’

Na een halfuurtje begint het koud te worden. De vier trappisten beginnen hun kracht te verliezen. Hij staat op en loopt naar huis. Zijn vrouw vraagt niet waarom hij zo laat is.

Het verhaal ‘Omarmen’ schreef ik in opdracht van het BKKC, voor een speciale uitgave met verhalen over vestingssteden in Brabant.

Traditioneel Regelen

Er is in Tilburg weinig te doen tijdens bevrijdingsdag*. Ja, thuis op de bank gaan zitten met een boekje, een plakje cake en een oranjebittertje, maar verder gaat het leven veelal zijn dagelijkse gang. Logisch ook, Tilburg was zeventig jaar geleden al een ruim halfjaar bevrijd en alweer druk bezig aan de wederopbouw. Gelukkig vind ik hulp bij de stadsgids: bij studentenroeivereniging Vidar is er een bevrijdingsfestival waar gewone sterfelijke burgers ook welkom zijn. Er worden zelfs speciale festivalbussen ingezet naar het festivalterrein.

Als ik aankom bij de busstop, staat er al een flinke groep studenten te wachten. Een aantal jongens kijkt stuurs voor zich uit, een aantal meisjes is druk aan elkaar aan het plukken. Tussen de twee groepjes in, staan twee jongens voorzichtig met hun handen in hun zakken. Ze praten niet veel met elkaar, maar kijken een beetje om zich heen.

De bus arriveert. Iedereen stapt in, op weg naar het studenten-bevrijdingsfestival. Net voor de deuren sluiten komt er een groep studentenverenigingsmeisjes aan. Ze gaan in het middenpad staan en zingen hard en vol overgave.

‘Lau gaat regelen, jala lalala, Lau gaat regelen Ja lala lalala.’

Het tafereeltje intrigeert me. Wie is Lau? Waarom is iedereen het erover eens dat ze gaat regelen? Vooropgesteld: wát gaat Lau regelen? Een blik in het studentenwoordenboek biedt uitkomst. Tussen ‘Sloopkogel, klein dik meisje dat nogal is aangekomen tijdens haar studententijd en daardoor heel rond lijkt’ en ‘Pandapunten, punten om aan te geven hoe lang iemand geen seks heeft gehad’ vind ik ‘Regelen’ terug. Het blijkt gewoon om onvervalste neukseks te gaan.

Goed. Lau gaat regelen, dus. En niet zo’n klein beetje ook, als het een beetje in lijn ligt met het enthousiasme van haar vriendinnen. En eigenlijk is dat natuurlijk ook de enige manier om traditioneel bevrijdingsdag te vieren. Zeventig jaar geleden werd er na de officiële bevrijding van het land ook volop geregeld. Men deed niet anders. We zitten als land nog steeds met de gevolgen van al het geregel na de bevrijding. De babyboomers zouden de babyboomers niet zijn als hun ouders niet direct na de bevrijding flink aan het regelen waren geslagen. En geef ze eens ongelijk.

De bus is gearriveerd bij het clubhuis van Vidar. Het festival heeft niet veel om handen. Er staan mensen in een tent en ze drinken bier. Een jongen van een jaar of vijfentwintig draait platen. Een jongen met een niet misteverstane bierbuik houdt zijn studentenjasje bij elkaar met een veiligheidsspeld. Links in de hoek gaan mensen met elkaar op de foto. Ik denk terug aan hoe een vriend laatst mijn columns voor deze krant omschreef: ‘Er gebeurde weer eens niets in Tilburg, en Neggers stond vooraan.’

Na een kwartiertje besluit ik me maar weer om te draaien en naar huis te gaan. Niet met een studentenfestivalbus dit keer: ik loop tien minuutjes om voor lijn 142 naar Centraal Station, een gewonemensenbus.

Terwijl ik terugwandel, denk ik aan Lau. Als ik een paar meter van de festivaltent weggelopen ben, draai ik me nog een keer om. Er kan veel gebeuren vandaag, maar Lau gaat regelen. Traditioneel regelen. En geef haar eens ongelijk.

*In 2015 schreef ik voor het Brabants Dagblad de twintigdelige columnserie Neggers viert feest. Deze column schreef ik indertijd naar aanleiding van Bevrijdingsdag. Inmiddels is er ‘een klein beetje te doen’ in Tilburg, maar eigenlijk is de column nog altijd geldig.

Ben Ali Libi, goochelaar

Als ik de Heikese kerk binnenstap, zit het afgeladen vol. Een man met insignes vertelt me dat ik in principe overal kan gaan zitten waar plek is. Ik loop langs een paar rijen mannen in uniformen. Ze dragen allemaal medailles. Ik knik naar een man met een rood lint om zijn schouders. Hij knikt terug. Dan begint de dienst.

Na de dienst in de kerk lopen we naar het monument van de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene – een monument voor het Nederlands verzet. Een standbeeld voor mensen die geloofden in grote dingen als rechtvaardigheid, vrijheid en verdraagzaamheid, en bereid waren hun leven daarvoor te geven.

Als ik op het monument afloop schiet me ineens een gedachte binnen: die vrijheid en onze rechtsstaat heeft ons veel gebracht. We kunnen zonder gevaar meeleven met een Frans tijdschrift* waar een aanslag op gepleegd wordt. We kunnen allemaal roepen, geloven, tekenen en schrijven wat we willen. We kunnen schelden op de overheid, we kunnen tijdens een bezoek van Poetin in Amsterdam een regenboogvlag hijsen. Het kan eigenlijk allemaal niet op.

Stuk voor stuk kunnen we vrijelijk door de achtertuin van de ratio huppelen. Een achtertuin die aangelegd werd door de mannen en vrouwen van het Nederlands verzet. Omdat ze niet anders wilden en niet anders konden.

Pas op het moment dat de onderbuik van zich laat spreken, wordt er weinig meer gehuppeld. Onze samenleving van rechtvaardigheid en verdraagzaamheid wordt met rode wangen opzij geschoven als het even niet uitkomt. Als het gaat om verdenking van pedofilie, om een juridische dwaling van een allochtone puber, of zomaar een andere verdachte van het een of ander, dan is de ratio vaak even niet meer nodig. En de rechter eigenlijk ook niet. Dan vliegen er kreten over tafel als ‘Als ik zo iemand in mijn handen krijg, dan hak ik zijn tengels of zijn lul eraf.’ Letterlijk citaat.

Als het lelijk wordt, slaan we iemand liever zelf in elkaar dan dat we onze felbevochten rechtsstaat zijn werk laten doen. En dan hoeft iemand nog niet eens honderd procent zeker ergens schuldig van te zijn. Barbertje moet hangen. De wil is er – de meute doet de rest.

Terwijl ik dat denk zet een zenuwachtige trompettist de melodie in die de twee minuten stilte inluidt. Als de jongen klaar is, kijk ik om me heen. Iedereen houdt zich stil. Iedereen herdenkt. Mijn gedachten dwalen weer af. Onze eigen volksvertegenwoordigers willen vluchtelingen geen onderdak bieden, maar ze liefst eigenhandig weer terug de zee in duwen en menig onderbuik knort genoegzaam mee. In het café, in de kantoorkantine en op het voetbalveld, overal klinken dezelfde geluiden: recht en verdraagzaamheid is één ding, het moet niet te ingewikkeld worden.

En precies op dat moment, in de laatste paar seconden van de twee minuten stilte, schiet de één-na-laatste strofe van het gedicht Ben Ali Libi van Willem Wilmink door mijn hoofd.

‘En altijd als ik een schreeuwer zie, met een alternatief voor de democratie, denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar voor Ben Ali Libi, de goochelaar?’

*Deze column schreef ik in 2015 voor het Brabants Dagblad, in de columnserie ‘Neggers viert feest’. Het Franse tijdschrift betrof uiteraard Charlie Hebdo, waarop indertijd een paar maanden eerder een aanslag was gepleegd, die in heel Europa een grote impact had.

Eindejaarsoverpeinzing (tweeakter)

Akte 1: Kerst

Oom Karel zit al op de bank te zuipen
En Ria van hiernaast is boos naar huis
Ons moeder staat te huilen in de keuken

– geschreeuw en dolle hysterie incluis –
Mijn broer ligt stiekem in de tuin te neuken,
met Janneke, de ex van ome Kees

We sleuren ons een weg door onze breuken
en door een veel te groot menu Chinees
Ach, Joop (van Ans) tracht in mijn broek te kruipen.

De kerst: een eeuwig feest van licht en leven
(Kortom van zuipen en van overgeven)

Akte 2: Oud en Nieuw

Er werd een hoop gevochten en gehuild
Er werd een hoop gegeten en gedronken
Er werd een hoop geslapen en gekakt

Er werd wat uitgezet en wat geslonken,
Op ranglijsten gestegen en gezakt,
Er was een aanslag hier, een aanslag daar

We hadden katers, er werd uitgebrakt
En er was wat privé, of openbaar
Er is gepoetst en, ja, er is vervuild.

Van dieptepunt tot andermaal debacle:
kortom, het jaar was weer een groot spektakel.

Vaarwel, Schone Ad

Een van de fijne dingen aan het hebben van een stamcafé, is dat je er na een tijdje een extra familie bij hebt. Of, nou, nee, meer dan een familie. De stamgasten van café Weemoed in Tilburg zijn mijn vrienden, mijn vijanden, mijn ongemakkelijke ooms, mijn lieve tantes en volslagen vreemden ineen. Ik deel mijn diepste zielenroerselen met ze, boven een duvel. Ik bespreek mijn grootste angsten met ze, na een chouffe of acht. We huilen met elkaar, we schreeuwen met en naar elkaar, we geven elkaar rondjes, we slaan boos elkaars glazen om na een uit de hand gelopen discussie. We omarmen elkaar en we spreken af om over een paar weken het vliegtuig naar Italië te nemen. Gewoon, voor de gein.

Maar bij elkaar thuis komen we niet. We weten niet wanneer we jarig zijn. We bellen elkaar niet op. We gaan naar het café, en dan gaan we weer elk ons weegs. Een innige vriendschap met mensen van wie je soms  niet eens de achternaam kent. In het café zijn achternamen ook niet nodig: de mensen heten Lange Piet, Stapper, Koek Henkhenk, Woef, Rob Staart. Of Schone Ad.

Afgelopen week overleed Schone Ad, de grootste paradijsvogel van het Tilburgse nachtleven. De ongekroonde (of zelfgekroonde) Zonnekoning van de Weemoed. Ad was mijn vriend, voor zover vriendschappen tussen stamgasten kunnen bestaan. Als we elkaar zagen omhelsden we elkaar. Als we spraken, spraken we luid en over Grote Dingen. Over het leven. Over Italië. Over de liefde, muziek, literatuur, kunst. Alles. Samen zijn we dronken geworden en dronken geweest. We hebben ongetwijfeld meermaals ruzie gehad, maar zoals dat gaat in het café: ruzies blijven niet goed tot de volgende dag, want soms kan het zwarte gat van een dronkenschap ook genadig zijn. Als niemand een ruzie herinnert, is het dan nog een ruzie?

Tegelijk was ‘Schone’ Ad de Roij bijna een vreemde voor me. Eén keer kwam ik bij hem thuis. Ik weet niet wanneer hij jarig was, en ik had, eerlijk is eerlijk, nog niet eens de moeite genomen om zijn muziekstukken te luisteren. Ja, afgelopen week, toen ik hoorde dat Ad overleden was. Toen ging ik luisteren. Alles achter elkaar. Had ik het maar eerder gedaan, dan had ik hem kunnen vertellen hoe mooi ik ze vond.

Een laatste verhaal over mijn vriend Schone Ad; ik twijfel of ik het wel moet schrijven en ik twijfel al helemaal over het al dan niet publiceren ervan. Toch doe ik het. Een man als Ad verdient een spectaculair einde. Een flamboyante, excentrieke man als Ad verdient een einde dat bezongen wordt. Verdient een heldendicht. Meerdere. Daar wil ik mijn steentje aan bijdragen.

Zaterdag is zijn uitvaart. Ik kan er niet naar toe, want ik moet werken. De wet heeft geen ruimte voor het overlijden van mede-stamgasten. Het is logisch ook: hoewel mensen als Ad zo dichtbij me staan, staan ze ook ver weg. Toch: het maakt het verdriet niet minder. Maar het is goed zo.

Ik zal zaterdagavond na mijn werk de Weemoed, onze common ground, binnenstappen, en er een glas bier bestellen met een blokje ijs erin. Ik zal hard lachen, mijn schoenen extra glimmend poetsen en een pufje parfum extra opspuiten. Ik zal luid praten over Grote Dingen.

Vaarwel Ad. Je was een van de mooiste en bijzonderste snoeshanen die ik ooit trof. De Weemoed zal nooit meer zo feestelijk ruiken nu je weg bent. Ik mis je.

Een gesprekje over vrijheid

HEMA heeft aangekondigd verder te willen zonder kleding te labelen met Voor Jongens en Voor Meisjes. Sommige mensen zijn daar boos over, sommigen zijn er zelfs een beetje bang van geworden. Ik raakte aan de praat met Jacob, een twitteraar die beide leek te zijn. Jacob geeft in zijn bio aan dat hij anti-Islam, anti-EU, anti-Policor en anti-Gutmensch is. Het gesprek duurde lang en bleef best wel beleefd. Ik leerde er allerlei interessante dingen van, onder andere over vrijheid. Voor de leesbaarheid van het gesprek heb ik sommige tweets samengevoegd en aan weerszijden van het gesprek heb ik spel- en tikfouten verbeterd.

MN: “Even voor mijn begrip, hè: het enige wat #HEMA gaat doen, is ‘voor jongens’ of ‘voor meisjes’ weghalen? En daar zijn mensen boos om omdat?”

Jacob: “Vanwege de onnozelheid om zoiets te doen?”

“Het is toch gewoon een commercieel bedrijf dat zijn eigen keuzes mag maken?”

“Oh jawel hoor, alleen die gendertoestanden komen mijn strot onderhand uit, dus mag ik ook kiezen waar ik ga winkelen. Eén op de 250 is mogelijk transgender; het gaat hier dus om een groepje van hooguit 68000 mensen en daarvoor moet ineens heel Nederland aangepast worden? Met een operatie zijn ze beter geholpen”

“Volgens mij gaat het erover dat kindjes mogen aantrekken wat ze mooi vinden, en zo min mogelijk dwingend te zijn met labeltjes. Bovendien vind ik ‘heel Nederland aangepast worden’ grote woorden voor het weglaten van labeltjes in kleren in een winkelketen. Mensen kunnen nog altijd dezelfde kleren kopen, er staat nu alleen niet meer op dat het voor mannen of vrouwen is.”

“Je laat je zoontje geen jurk aantrekken, lullo.”

“En als dat zoontje dat nou graag doet? Ik zie dat FVD/PVV je politieke voorkeur geniet: die zijn toch juist heel erg voor vrijheid? Of geldt vrijheid alleen als het in jouw ideaalbeeld past van wat normaal is?”

“Een zoontje dat een jurk draagt valt niet onder normaal, nee.”

“Toch vechten jouw partijen dagelijks onder andere voor dat jongens die dat willen een jurk aan kunnen trekken. Dat dat oké is.”

“Ik vind dat niet oké, dan ben ik  maar ouderwets.”

“Dan zou ik toch op zoek gaan naar een andere partij, hoor. CDA, misschien? SGP? Die behartigen die belangen denk ik beter.”

“Alleen vanwege dat punt? Hou toch op, er zijn normen en waarden en daar wordt steeds meer vanaf geslepen. Een kind mag ook niet trouwen, moet naar school etcetera. Heeft niets te maken met vrijheid, maar met normen en waarden.”

“Nee, dat heeft te maken met dat kinderen minderjarig zijn, en dus overgeleverd aan de zorg van volwassenen, die ze een zo goed mogelijke kans mee moeten geven in het volwassen leven. Dus niet al getrouwd, en liefst met wat nuttige kennis en vaardigheden. Dat ze lekker mogen dragen wat ze willen is een volledig andere discussie.”

“Zelfde geldt voor roken, drank en drugs: als je kinderen alle vrijheid geeft, komt er niks van terecht.”

“Roken drank en drugs beschadigt de hersenen aantoonbaar. Zeker voor hersenen in de groei is dat problematisch. Ook een andere discussie, dus. Een jongen die gelukkig is als hij een jurk aanheeft, loopt geen hersenbeschadiging op, en is dus niet voor de rest van zijn leven getekend.”

“Ze gaan ook gegarandeerd gepest worden.”

“Er is altijd wel een reden te vinden tot pesten. Pubers pesten. Organiseer scholen zo dat er een veilig klimaat is om jezelf te zijn.”

“Dat maakt verder weinig uit, valt toch buiten de groep. Wordt dan wel in elkaar geslagen buiten schooltijd. Kinderen zijn gemeen. Kinderen moet je beschermend opvoeden, dat betekent dat ze altijd in hun keuzes beperkt worden. Deze discussie is ook grote onzin, want een kind krijgt hooguit transgender neigingen in de puberteit. Dus HEMA is idioot policor bezig. Vanaf de puberteit is er voldoende medische hulp om daar iets aan te doen. Geluk zit niet in een jurk of broek mogen dragen. Een beetje onzin, Martijn.”

“Geluk zit volgens mij o.a. in leven in een maatschappij waar je jezelf kunt zijn. Dus óók, als dat belangrijk voor je is, kunnen dragen wat je wil. Toch? En daarom vind ik het wel mooi dat HEMA daar wat minder dwingend in wil zijn. En éigenlijk is er ook weer niet zo veel veranderd. Alleen die labeltjes. Overigens weet ik niet zeker of jij voor anderen kunt bepalen waar ze gelukkig van worden. Ik moet afronden: mijn bonte was is klaar. Ik vond het een interessant inkijkje in jouw belevingswereld. Fijne avond!”

“Jij ook, Martijn!”

Videoland

Ik herinner mij dat ik in de videotheek sta. Tweeduizend één. Ik ben veertien. Ik loop naar binnen, knik Koen aan de balie vriendelijk toe en loop door naar de weekfilms. Ik loop voorbij films als Dude, where’s my car en Space Cowboys. Ik zie een stelletje dat twijfelt welke romcom ze moeten nemen. Ik zie een groepje mensen lachend bij een rek kinderfilms. Ik loop voorbij Three men and a little lady.

In de hoek van de Europese films blijf ik staan. Als ik me een klein beetje naar rechts draai, kan ik net door een roze kralengordijn heen de pornofilms zien staan. Ik weet wat de collectie is, want ik heb op de website het hele bestand bekeken. Ik ken alle films uit mijn hoofd:

Shaving Ryan’s Privates, A Clockwork Orgy, White Men Can’t Hump, Sexorcist, Battlestar Orgasmica, Beverly Hills 9021-Ho, Lost in Penetration, Sperminator, Pokeahotass, Schindler’s Fist, The return of the gangbang zombies, Good Will Humping, Charlie’s Anals, Fatal Erection, The Bare Bitch Project, Thighs Wide Shut en Sex Trek: Deep Throat Nine.

Ik heb de mannen uit mijn dorp de ruimte in en uit zien lopen. Ik ken de titels. Terwijl ik met de zoveelste comedy van Ben Stiller en Owen Wilson in mijn handen sta, merk ik dat ik – alleen al door te denken aan de rij films van Jenna Jameson en Tera Patrick een stijve krijg.

Langzaam voel ik dat ik rood word. Koen kijkt mijn kant op. Ik hou mijn video van Ben Stiller voor mijn pik. Nu lijkt het of iedereen kijkt: Koen, de drie mensen bij de kinderfilms en ook het verliefde stelletje. Ik voel nu hoe iedereen ziet dat ik denk aan Jenna Jameson die met haar handen op haar billen slaat en ‘Fuck me in my gloryhole’ naar me roept.

Terwijl ik de videotheek rondkijk komt er een meneer binnenlopen in een donkerrode jas. Als hij de hoek bij de detectivefilms omloopt kijkt hij me één keer aan. Het zou – theoretisch gesproken – per ongeluk kunnen zijn. In de hoek bij de Nederlandstalige films kijkt een meisje van een jaar of twaalf naar me. Ik krijg het beeld van Jenna Jameson niet uit mijn hoofd. Ik houd mijn tas voor mijn broek en begin te zweten.

Nu komt er iemand van de videotheek naar me toe. Hij kijkt me even aan. Ik ruik mijn eigen zweet en houd mijn armen stijf tegen mijn lichaam aan.

‘Docu’s mag je deze week onbeperkt huren, trouwens,’ fluistert hij.

‘Pardon?’

‘Huren. Dat vergat ik je net te zeggen.’

Ik voel me betrapt en houd de tas nog dichter bij mijn lul. Hij is op zich alweer half slap, maar half slap of half stijf: dat is altijd maar in the eye of the beholder, natuurlijk. Ik kijk terug naar Koen, aan de balie. Ik ben net te laat om te zien dat hij snel wegkijkt naar zijn beeldscherm.

Er komt een man door het kralengordijntje heen. Hij heeft drie video’s in zijn hand. De bovenste is finding Nemo. Hij glimlacht naar me. Ik glimlach terug. Door lust en spanning gedreven schuifel ik naar het gordijn toe. Net voor ik bij het gordijn ben draai ik weg naar de documentaires over de tweede wereldoorlog. Ik pak een willekeurige video over Joseph Mengele in mijn handen en loop terug naar Koen.

Koen knipoogt naar me. Hij heeft me gezien. Ik weet dat ik geen kant meer op kan.

Een maand later solliciteer ik naar een baantje in een pizzarestaurant. Ik word het niet. Twee weken later ga ik op voor mijn diploma reddingszwemmen. Dat haal ik ook niet. In het halfjaar daarna raak ik vier keer een briefje van vijf kwijt, en twee keer een briefje van tien. Op mijn vierentwintigste (exact tien jaar later inderdaad) wordt mijn aanvraag voor een hypotheek afgekeurd omdat ik een te klein inkomen zou hebben voor een lening.

Toeval? Misschien. Dat zou natuurlijk ook kunnen.

‘Videoland’ was de openingsmonoloog van de theatervoorstelling ‘Wachten op Henny van Oirschot’, die ik maakte met de geweldenaars Mathijs Leeuwis en Lisah Baert.

Walther

Breken zal het startsein zijn. Het kan een maand duren. Een jaar. Drie jaar. Maar breken zal het. Dan zal het beginnen. Het wordt een diepe val. Zo’n val waarbij je geen adem krijgt. Maar op dit punt begint dat hem er steeds aantrekkelijker uit te zien. Hij slaat met zijn vlakke hand in zijn gezicht.

‘Breek nou,’ mompelt hij tegen zichzelf.

Walther bekijkt zichzelf in de badkamerspiegel. Hij houdt zijn buik in. Hij is weer dikker geworden, maar wil er niet aan toegeven. Zijn handdoek past niet meer om zijn middel en hij krijgt mannentieten. Sinds een paar jaar groeien er haren uit zijn schouder. Zijn spieren vervetten steeds een beetje meer.

Hij is een worst geworden. Een goedkope, smakeloze worst. Zo’n worst van een paar cent, met gesmolten kaas erdoorheen. Man, wat is hij arm geworden de laatste jaren. Stakkerig arm. Hij spant zijn spieren aan, of wat er nog van over is. Heel even. Walther is moe.

Toch, denkt hij, terwijl hij zuchtend zijn liezen afdroogt, is er één lichtpuntje. Op een dag breekt het. Allemaal. En dat zal het begin zijn.

Hij scheert zichzelf. Al jaren met hetzelfde mes. Elke dag probeert hij om de plooien van zijn onderkin heen te scheren. Elke dag mislukt het.

 

Dit verhaal verscheen eerder in Quiet 500, als onderdeel van een zkv-ketting met oa. Maartje Wortel, LH Wiener en Lize Spit. De eerste zin van het verhaal is met dank aan Lize Spit.

Ooievaar

De dokter heeft op zich haar tieten best oké vergroot, maar toch zie je het. Het is niet erg dat je het ziet, denk ik, maar je ziet het wel. Het is ook echt niet dat er twee enorme puddingen onder haar huid gespoten zijn, maar je ziet wel echt dat het nep is. Misschien is het omdat ik het ben, en omdat ik ze als jonge jongen voor het eerst zag. Nouja, het is best prima gedaan, maar ik zie het in elk geval. Aan de zijkant. Een litteken van een klein sneetje. En ze staan rechtop. Ze zakken niet in als ze op haar rug ligt. Het zijn prima tieten hoor, daar niet van, en het is natuurlijk haar eigen keuze. Het zijn háár handelswaren. Wat heb ik erover te zeggen? Precies. Niets. Maar je ziet het wel. Ze horen niet rechtop te blijven staan.

‘Wat kijk je?’

‘Je ziet het wel hè?’

‘Hè?’

‘Van je tieten. Je ziet het wel.’

Ze haalt een keer diep adem en draait zich om, van haar rug af in mijn richting. Ze kijkt me aan. Dan pakt ze m’n hand vast en duwt hem tegen haar borst aan.

‘En?’ vraagt ze, na een tijdje, terwijl ze mijn duim op haar tepel duwt.

‘En wat?’

‘Vond je het wat?’

‘Vond jíj het wat?’

‘Jawel,’ antwoordt ze. Kon slechter. Kon zeker slechter. Ik heb ze slechter meegemaakt hoor. Erewoord.’

Ze gaat rechtop zitten en pakt een servetje van haar nachtkastje. Ze begint sperma van haar buik af te vegen. Zakelijk. Alsof het vreemd zaad is. Het zaad van een of andere passant.

‘Dat hadden onze kinderen kunnen zijn.’

‘Ja.’

Even zijn we stil. Ik kijk toe hoe ze zichzelf met een papieren servetje schoonveegt. Ze kijkt niet op. Het papier verdwijnt in een vuilnisbakje naast het bed. Uit een pakje sigaretten op het kasje achter de vuilnisbak pakt ze twee sigaretten. Eerst één met haar mond, dan één met haar linkerhand. Die gooit ze mijn kant op.

‘Ik rook niet meer.’

‘Aansteller.’

Ze gaat weer liggen, steekt haar sigaret aan en trekt het laken wat over zichzelf heen.

‘Je tieten blijven rechtop staan.’

‘Ja, ze zijn nep. Nu weten we het wel.’

‘Het is geen verwijt. Ik zeg het alleen maar. Ik vond ze vroeger ook prima.’

Ik pak de sigaret die zij me toegooide.

‘Vuur?’ vraagt ze.

Ze gooit haar aansteker. Ik steekt mijn sigaret aan en pak een stuk laken om mijn pik mee af te vegen. Het laken glijdt van haar af. Ze zucht een hap rook.

‘Hoe veel ehh…’

‘Laat maar,’ antwoordt ze, zonder op te kijken.

‘Ik wil gewoon betalen. Net als iedereen.’

‘Lieverd. Ik zei laat maar.’

Ik pak mijn broek. Zonder te kijken. Mijn shirt, Mijn hemd, mijn sok.

‘Moet ik helpen?’ vraagt ze.

‘Moet ik helpen. Moet ik hélpen. Ik doe het alleen. Ik doe het al jaren alleen. Ik mis mijn linkerbeen; ik ben godverdomme geen mongool.’

Ik trek mijn broek aan. Dan mijn sok, dan mijn schoen. Terwijl ik de grote lus leg, voel ik haar hand op m’n rug.

‘Lief, lief boos jongetje. Mijn lieve boze jongetje.’

‘Weet je wat? Laat maar,’ antwoord ik.

‘Jezus, lieverd, jíj komt hierheen.’

Ik sta op, pak mijn kruk en draai me nog één keer naar haar om. Even kijken we elkaar aan. Dan draai ik me om en loop ik weg, om over twee weken weer terug te komen met een volle zak. Op de gang naar buiten kom ik Kees van Spaandonk tegen, van twee straten verderop. We kijken elkaar even aan met een blik die aan weerszijden meer schaamte verraadt dan we allebei zouden willen.

‘Kees.’

‘Ooievaar.’

‘Klootzak,’ antwoord ik, te zacht voor hem om het te horen.

Viooltjes

‘Er zijn een weinig bloemen die minder op waarde geschat worden dan het viooltje,’ begint broeder Elvis, terwijl hij een een groepje van zes leerlingen uit groep vijf van RK Basisschool de Triangel door de paterstuin van het Frater Mauritshof leidt. ‘In de bijbel staat het viooltje voor nederigheid. Wij zijn hier slechts op aarde om te dienen. Om anderen te helpen. Om lief te hebben. Maar, en dat weten veel mensen niet: sommige viooltjes hebben meerdere kleuren: paars, geel, blauw, rood, noem maar op. Een driekleurig viooltje is dan weer het symbool voor vrijdenkerij.’

Elke week laat Juf Hannah een klein groepje van haar klas met Broeder Elvis meegaan, de fraterstuin in. De druk op school is hoog, en met het groeiende aantal rugzakleerlingen en leerlingen met gedragsproblemen, zijn de donderdagochtendsessies van Broeder Elvis een verademing. Hij haalt ze op van school, om negen uur, en brengt ze om half twaalf weer netjes terug. De kinderen dringen elke week om met Elvis mee te mogen. Afgelopen jaar hing Hannah een groot Elvisrooster aan de muur van het lokaal. Zo leerden de kinderen, door aanwezigheid van de bejaarde frater, niet alleen wat over catechese, maar ook over de natuur, én het aflezen van iets abstracts als een maandrooster. Broeder Elvis brengt al twee jaar lang rust, regelmaat en leerrendement naar de klas van Juf Hannah. Zoals het een rechtgeaarde broeder betaamt.

‘Kijk,’ gaat Elvis verder. ‘Kijk hier, kom allemaal maar wat dichterbij.’ Zijn zes protegéés komen wat dichter bij hem staan, terwijl hij door zijn knieën zakt om wat van het hoge gras aan de kant te schuiven. ‘Zien jullie dit? Elk viooltje heeft vier blaadjes. Ze zeggen ook weleens over het viooltje, dat het geluk en gezondheid brengt om de eerste drie blaadjes op te eten.’

‘Pardon? Opeten?’ antwoordt Lindy.

‘Zeker, wacht. Er staan er genoeg.’

Broeder Elvis plukt een viooltje dat bij zijn linkervoet uit de grond komt. ‘Toe maar, jongens, er staan er genoeg.’

‘Ik lust geen viooltjes,’ zegt Ashton, terwijl hij met zijn buik een beetje tegen de rug van Broeder Elvis aan leunt. Elvis sluit zijn ogen een fractie van een seconde en ademt een keer diep in.

‘Het smaakt als sla, Ashton, probeer maar,’ antwoordt Elvis, en hij plukt een geel viooltje voor het ventje.

‘Ik lust geen sla. Als wij sla eten krijg ik thuis altijd erwtjes.’

‘De legende gaat, dat als je de eerste drie blaadjes van een viooltje eet, je de rest van het jaar geen last hebt van kiespijn en koorts.’

‘Serieus?’ vraagt Lindy, haar eigen viooltje argwanend bestuderend.

‘Serieus. Ik heb nooit kiespijn, en nooit koorts.’

‘En u eet altijd viooltjes?’

‘Zeg maar jij hoor! En: ieder jaar ééntje. Tenminste: de eerste drie blaadjes ervan. En vandaag is het viooltjesdag.’

Ook Madeleine komt nu wat dichter bij Broeder Elvis zitten. Ze zit praktisch tegen hem aan. Ze legt haar hoofd tegen zijn bovenbeen aan.

‘Maakt het uit welke kleur ik pak?’

‘Meisje, je mag de kleur pakken die het dichtst bij je hart ligt.’

*

Broeder Elvis werd geboren in 1935 in Turnhout, als Mats Verflancken, de zoon van binnenschipper Mats Senior, en Nele Lievaerts-Verflancken. Mats en Nele leerden elkaar kennen tijdens een bingoavond. Mats was met zijn moeder, Bea Verflancken, mee, om te helpen met het afstempelen van de bingokaarten. Bea stond in heel Turnhout bekend als Bea Bingo, omdat ze al sinds haar allereerste bingoavond steevast met de beste prijzen ervandoor ging. Nele, de dochter van de eigenaars van Bingobar-Dancing Wheels of Joy, stond die avond voor het eerst achter de bar. Mats is om moed te verzamelen eerst zestien pinten bij haar gaan bestellen, en had haar, en daarmee zichzelf, daarna achter de bingobar-dancing ontmaagd. Het eindresultaat was Mats Junior. De bruiloft was een bescheiden feestje voor vrienden en familie, een klein halfjaar voor Juniors geboorte.

*

‘Eigenlijk valt het best mee,’ zegt Lindy opgelucht, nadat ze de drie blaadjes van een paars viooltje na lang kauwen eigenlijk heeft doorgeslikt. Ashton knikt enthousiast.

‘Dit proeft helemaal niet als sla, broeder Elvis. Ik wil er nog wel één!’

‘Ho, ho, jongens, ieder jaar ééntje. Het leven dient met mate geleefd te worden. Van het uitbundige is er al meer dan genoeg in de wereld. Het gaat erom dat je jezelf kunt inhouden. Dat je jezelf onder controle hebt. God heeft ons gemaakt om beheerst de dag door te gaan. Kortom: volgend jaar weer een jaar.’

Elvis pakt Madeleines schouder even vast. Ze kijkt omhoog naar de door de jaren heen wit geworden baard

‘Hupsa, kinderen. We gaan de wandeling weer ondernemen. Op naar juffrouw Hannah. En onthoud: we zeggen niets tegen papa en mama en de juffrouw over de viooltjes,’ zegt Elvis glimlachtend. ‘Dat is tussen ons, en tussen god.’

Terwijl hij zijn laatste zin uitspreekt, spreidt hij zijn armen. ‘Maar eerst wil Broeder Elvis een knuffel van jullie allemaal.’ Een voor een geven de kinderen Broeder Elvis een flinke knuffel. Ashton is de grootste van het groepje, die komt al bijna ter hoogte van Elvis’ navel.

*

Toen Mats veertien was, stak hij in een driftbui zijn moeder dood. De rechter gaf hem de keuze: ontoerekeningsvatbaar het klooster in om de heer te dienen, of zesendertig jaar de cel in. Mats rekende uit dat hij vijftig zou zijn als hij uit de gevangenis zou komen, een leeftijd waarop de potentiële gloriejaren van zijn leven al grotendeels voorbij zouden zijn. Hij liet zich omdopen tot Broeder Aäron en koos voor een leven binnen de kloostermuren. In rap tempo leerde hij de wegen van de Heere, en ontwikkelde hij en rotsvast geloof en een stalen discipline. Nooit meer dacht hij aan Nele Verflancken. Nooit meer dacht hij aan hoe hij haar doodstak omdat ze in een waas van dronkenschap had gegild dat hij haar leven tot een hel had gemaakt.

Nooit meer dacht hij aan hoe zijn vader, wanneer hij weer eens thuis kwam, éérst zijn moeder in elkaar ramde, haar daarna nog te grazen nam, om daarna zijn eigen zoon en pak slaag te geven. Hij dacht alleen nog maar aan god. Tot zijn vijfenzeventigste was Broeder Aaron een vrome en toegewijde frater, in verschillende kloosters. Nu was hij frater in ruste, en had hij zichzelf omgedoopt tot het wat swingendere Broeder Elvis. God had het oogluikend toegestaan.

*

Als Elvis doorloopt, is hij in een flink kwartier wandelen vanaf de basisschool terug op zijn kamer in het Frater Mauritshof. Maar Elvis gaat nog niet terug. Elvis wandelt terug richting het centrum. Ter hoogte van de zonnestudio aan de Korvelseweg kijkt hij een keer om zich heen. De kust is veilig. Hij stapt binnen. Chantalle, het meisje achter de balie kijkt hem aan met een strak gezicht.

‘Ik wil graag van alles een,’ mompelt Elvis.

‘Heb je je netjes gedragen?’

‘Wil je het voelen?’

‘Ik geloof je, Mats,’ antwoordt ze, terwijl ze één keer op haar horloge kijkt, en vervolgens de deur van de studio op slot draait. ‘Kom maar mee. Er is niemand binnen, vandaag. Je hoeft je niet stil te houden.’

Met een gebogen hoofd loopt Broeder Elvis achter het meisje van de zonnestudio aan. Elvis schraapt zijn keel. Er komt iets terug omhoog. Een soort velletje. Worst, misschien? Sla, van zijn ontbijt?

‘Mats! Kom! Niet treuzelen! Luisteren jij, waardeloze valse hond!’

‘Maar, maar,’

‘Niks te maren Verflancken!’

Ineens weet hij het: viooltjes. Hij buigt zijn hoofd en houdt zijn armen vooruit.

 

‘Viooltjes’ verscheen eerder in een speciaal voor Gemeente Tilburg samengestelde editie van Wobby en De Titaan. 

Geen oudere berichten.