16-bitliteratuur – eerste deel: Hollow Knight en het eind van de wereld

In de afgelopen jaren zijn er veel videogames voorbij gekomen die zich in meerdere of mindere mate afspelen na het einde der tijde. Post-apocalyptische spellen als Mad Max, misschien wel de vader van het genre, of als The Last of Us. Of Fallout. Eigenlijk zou dit hele artikel over Fallout kunnen gaan. Maar toch gaat het dat niet. Dit verhaal gaat over waarom Hollow Knight (kopen en downloaden kan hier) van Team Cherry éigenlijk de ultieme post-apocalyptische game is en over hoe dat spel, met alle vrijheid die het in zich heeft, het verhaal van de Apocalyps zoveel meer goed doet dan alle andere – of dan andere kunstvormen, vanwege de vormrestricties die ze in zich hebben. Ik snap best dat je vindt dat dit verhaal eigenlijk over Wasteland had moeten gaan. Ik begrijp je, en je hebt misschien wel helemaal gelijk. Ik kom er zo op terug. Want voordat we het over Hollow Knight gaan hebben moeten we eerst iets met elkaar afspreken: wat ís in ’s hemelsnaam de Apocalyps? Volstaat een wereldwijde nucleaire ramp? Volstaat een vloedgolf? Een pestepidemie? Of moeten we het hele bijbelverhaal aanhouden, compleet met de ruiters, Jezus die aanwijst wie oké is en wie niet, en alle dood en verdoemenis die daarna komt? Ik zou zeggen: dat laatste.

In de beeldende kunst hebben ze er behoorlijk wat vat op gekregen, in de afgelopen eeuwen. Mijn zoektocht brengt me bij de Commentaria in Apocalypsin van Beatus (bekijken kan hier), uit de achtste eeuw. Een duidelijk beeld: Jezus bovenin de hemel, die, met een bijbeltje in de hand, geflankeerd door wat engelen, helemaal lekker born ready is voor het laatste oordeel. Onder hem wat aanbidders, wat twijfelaars en wat pechvogels. Zonnetje, maantje, klip en klaar, niks aan de hand, tompoesje erbij, glaasje rosé, en knallen maar.

De gevolgen van een superduidelijke Apocalyps, die tóch, voor ons, de kijker, niet zo interessant is: alles is voorgekauwd, alles staat er al. Het staat er prachtig mooi, maar het staat er wel.

Of Het Laatste Oordeel van Hiëronymus Bosch (bekijk het hier), de Apocalyps onder de apocalypsen. Hoewel een grotesker en gruwelijker beeld, is het tóch vergelijkbaar en overduidelijk: de Drie Goddelijke Boys die naar beneden komen, de mensen die lekker bezig zijn ten opzichte van diegenen die minder lekker bezig zijn en diegenen die jammerlijk het haasje zijn. Zonde, treurnis en verderf. In beide schilderijen druipt de religie, de mythe en de moraal ervan af en is het vooral heel erg duidelijk wat er gaande is en hoe we onszelf ertoe moeten verhouden. 

Bij allebei de werken kunnen we ons er alles bij voorstellen hoe de vlag er na afloop voor hangt: grauw, leeg, vernield en miserabel. Degenen díe het onverhoopt overleefd hebben zijn oftewel diep ongelukkig, ofwel tot het bot getraumatiseerd, verziekt, of in een soort ongenadige overlevingsmodus. De gevolgen van een superduidelijke Apocalyps, die tóch, voor ons, de kijker, niet zo interessant is: alles is voorgekauwd, alles staat er al. Het staat er prachtig mooi, maar het staat er wel. En natuurlijk kunnen nu alle kunsthistorici op hun achterste poten gaan staan, dat er in beide werken voor de oplettende kijker van alles en nog wat aan extra’s ingestopt is, en natuurlijk is dat ook zo. Maar onder de streep is het wat het is, en valt daar weinig aan af te dingen. En het is een schilderij, één moment. We kunnen al kijkend van detail naar detail verdwalen, maar daar houdt het dan ook mee op.

Hoe anders is dat in in het boek The Road, van Cormac McCarthy (koop het hier), waar we van de hele Apocalyps niet heel veel meer weten dan dat de klokken om 01:17 zijn gestopt met tikken en waar de wereld in een kleurloos asgrauw is gedompeld. Toegegeven: in bijbelboek Openbaring van Johannes is vers 1:17 “En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij leide Zijn Rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste”, maar dat hebben wij, de lezers toch echt zelf op moeten zoeken, toen we dat lazen. Aan de hand van McCarthy dolen we met een vader en een zoon door een wereld waarin de laatste inwonenden kannibalen, lijpo’s en/of (potentiële) prooien zijn. The Road is zo gruwelijk als een leven na het einde der tijden kan zijn. In weinig ontzienende taal worden er gaandeweg het verhaal de gruwelen van McCarthy’s wereld uit de doeken gedaan. Pasgeboren baby’s worden aan het spit geregen door kannibalen, mensen gaan gorgelend en pruttelend ten onder; de volledig ontmenselijkte mens, met een groots en meeslepend gebaar en bovenal: heel, heel pijnlijk.

De apocalyps bestaat wat mij betreft bij gratie van de openbaring, van de scheiding van ‘het goede’ en ‘het kwade’ die er volgens mij bij komt kijken.

Omdat er zo weinig voorgekauwd wordt, valt er voor de lezer wél veel meer te genieten dan alleen de vorm van het kunstwerk. Er is zóveel onduidelijk, dat de verbeelding van de lezer meegenomen wordt in de wereld die McCarthy voor ons neerlegt. We kunnen ons inleven in de prachtige personages, en gruwelen van het beeld dat er geschetst wordt. Het zet ons aan het denken, het geeft ons een gevoel van onbehagen. Allemaal eisen waar goede literatuur aan moet voldoen.

Maar, toch twee dingen: ik vind dat een échte Apocalyps een religieuze inslag moet hebben. Een natuurramp kan het einde van de mensheid zijn, maar een Apocalyps? Nee. De Apocalyps bestaat wat mij betreft bij gratie van de openbaring – door een soort godsfiguur – van de scheiding van ‘het goede’ en ‘het kwade’ die er volgens mij bij komt kijken. En, ten tweede: de leegte van de wereld, de brokstukken van een samenleving, die wil ik eigenlijk ervaren zónder aan de hand genomen te worden door een kunstenaar.  Als het even kan, wil ik de desoriëntatie voelen, die de vader en zoon bij The Road hebben, zonder dat hij aan me voorgelegd wordt. Als het even kan, wil ik, hoe mooi McCarthy het ook opschrijft, zélf die ervaring hebben. Ik wil, effectief, zélf vier keer voorbij dezelfde plek komen en steeds wanhopiger worden omdat ik verdwaal. En dat is waar Team Cherry’s Hollow Knight om de hoek komt kijken en de twee beste onderdelen van de (post-)apocalyps aan elkaar knoopt.

In Hollow Knight ben je een keverachtige naamloze protagonist, die aan de buitenkant van een enorme, uitgestorven en verziekte wereld gedropt wordt. Moet je linksaf? Moet je rechtsaf? Wie ben je? Wat is je rol in het geheel? Niemand die het je echt vertelt vertelt. Heel af en toe kom je wat brokstukken van een oude beschaving, een oude religie tegen, maar eigenlijk is het veel te weinig om de puzzel – een puzzel van pakweg vier ‘deïteiten’ die over de rug van het volk een soort eindstrijd proberen te voeren – compleet te krijgen.

In een grimmig decor, met een adembenemende soundtrack, daal je verder en verder af in de wereld van Hallownest, waar de laatste inwonenden pakweg in te delen zijn in drie groepen: kannibalen, lijpo’s en potentiële prooien. Eigenlijk is Hollow Knight Het laatste oordeel van Bosch, in de sfeer van McCarthy, maar nagenoeg zonder de leidende hand van de kunstenaar, die in de beeldende kunst en in de literatuur alleen al door de vorm onmogelijk weg te denken is.

Feitelijk wordt er, aan het begin van het spel gezegd, voordat je begint: ‘Dit is de wereld. Hij is stuk. Komt door van alles en nog wat. Misschien vind je er nog wat over, misschien vind je alles, maar zelfs als je alles vindt, kan het óók nog zomaar zijn, dat alle losse puzzelstukjes alleen maar een schíjn van samenhang geven.”

En dan? Waar heb je dan naar zitten kijken, de hele tijd? Juist: naar de brokstukken van een door een laatste oordeel verloren gegane beschaving. Naar de best mogelijke combinatie tussen de mooiste uitgebreide en uitgelegde apocalyptische schilderijen, en de mooiste post-apocalyptische verhalen.

Volgens mij toont juist Hollow Knight, veel meer dan andere games in het genre, een volledig écht apocalyptisch verhaal. Maar misschien toont het nog wel meer dan dat: hoe videogames nog kunnen gaan waar andere kunsten eigenlijk al niet meer kunnen komen.

16-bitliteratuur; proloog

Het regent en het is november. November 1993, om precies te zijn. Ergens in een rijtjeshuis in Veghel sluipen twee kleine kinderen, onder wie ondergetekende, uit hun slaapkamers om, in tegenstelling tot de huisregels (éérst buitenspelen, dán pas een halfuurtje computeren), van de stilte van de zaterdagochtend gebruik te maken en stiekem Commander Keen 1: Marooned on Mars te spelen. Pong is op dat moment 21 jaar oud,  Mario (toen nog onder de naam ‘Mr. Video’) en Donkey Kong pakweg 12. Van Commander Keen zelf zouden er in de komende tien jaar nog een stuk of zeven videospellen uitkomen. Pokémon Red en Pokémon Blue zijn nog een paar jaar lang toekomstmuziek.

En nu is het 2018, en zijn we vele terabytes aan videospellen verder. De industrie heeft een ongenadig grote bibliotheek, die zichzelf eigenlijk al jaren kan meten met film, muziek, en ja, ook met de literatuur. Tenminste, dat zou je denken. Hoewel ik, naast schrijver, journalist en lezer ook mijn hele leven een gamer gebleven, veel liefde heb voor de kunst van een goed computerspel, lijkt het met de algehele acceptatie van games als kunstvorm nog niet echt vlotten. En daar zit natuurlijk wat in, want laten we wel wezen: Fortnite van Epic Games mag nog niet de veters strikken van Het vlot van Medusa van Géricault en het valt allemaal zeer te bezien of Fifa 19 van EA Sports dezelfde artistieke waarde heeft als, laten we zeggen, Werther Nieland van Gerard Reve. Maar waaróm dan? En we gaan er wel zo makkelijk vanuit, maar ís het ook wel zo?

het valt allemaal zeer te bezien of Fifa 19 van EA Sports dezelfde artistieke waarde heeft als, laten we zeggen, Werther Nieland van Gerard Reve. Maar waaróm dan?

Dus wordt het tijd voor een zoektocht. Een zoektocht langs de genres, op zoek naar díe 8-, 16-, 64-bit of full-hd game die ‘best een tweede Troje zou verdienen’: dát spel waar ik als lezer, kunstliefhebber én als gamer écht mijn hart op kan halen. Waaraan moet een game voldoen om bijgezet te mogen in de annalen  an de kunstgeschiedenis? Waaraan moet überhaupt een goed boek, een goede film, of een goed schilderij voldoen? Welk spel valt door de mand als we het langs de meetlat van de kunsten leggen? En welke kunsten dan?

Is het te moeilijk om te proberen? Is het abject en infaam om te proberen, en vol te houden? Misschien. Waarschijnlijk wel. Er zal vast gemopperd worden, met ogen worden gerold, en er zullen ongetwijfeld afkeurend meerdere paren handen ten hemel geheven worden. Maar dat is nog altijd geen reden om het nie toch te doen.

Dus: kun je Owlboy en Hollow Knight tegen elkaar én tegen De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld afzetten? Waarom moet iemand die Er gebeurde oa. niets van Joubert Pignon met veel plezier las, óók Golf Story eens downloaden – of juist niet? En ís Night in the woods nou écht zo’n literair verwantwoord spel, of is het toch vooral gewoon pathetisch geneuzel waar gamers voor vallen, maar zou het, was het een boek, een lullige 0-sterrenrecensie krijgen van Arie Storm (indien hij nog recensent was bij Het Parool).

Kun je Owlboy en Hollow Knight tegen elkaar én tegen De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld afzetten?

Er wordt al jarenlang geroepen dat we de game-industrie serieus moeten nemen. Bij dezen. Tips in mijn tocht door de verschillende bibliotheken zijn zeer welkom. Eéns per maand publiceer ik, hier, op deze website. Exact duizend woorden per keer, op de eerste zondag van de maand, een jaar lang. Twaalf hoofdstukken, shrines, eindbazen of levels (voor elk wat wils), in totaal. Be there or be Square Enix. 

Nee, dat was geen goed grapje, maar ik laat hem toch staan. Kan mij het verrekken. Ik bevind me sinds vandaag in een niche in een niche in een niche. Dan kan dat ene grapje er ook nog wel bij.

Tot de vijfde.

Omarmen

Vrijdag. Leo laat na de vrijmibo bij Huis Ten Bosch zijn auto op de parkeerplaats staan. Vandaag loopt hij. Terwijl hij aangeschoten naar huis wandelt, groet niemand hem. Als hij naar twee jonge meisjes glimlacht, krijgt hij geen glimlach terug. Daar. Een vrouw van zijn leeftijd. Leo knipoogt naar haar. Geen reactie.

Dan staat Leo stil.

‘Ik ben onzichtbaar,’ mompelt hij voor zich uit. Niemand reageert hem.

‘IK BEN ONZICHTBAAR’ roept hij nu. Niemand kijkt op.

Dan gaat Leo zitten. Er komt een klein beetje zand op zijn pak. Zijn leren schoenen schuren over de stoep. Het was casual friday vandaag, op kantoor. Hij heeft die gezellige schoenen met gespjes aangetrokken.

Leo legt zijn handen op de grond.

‘Zo,’ mompelt hij, tegen niemand. ‘Nu ben ik één met Geertruidenberg. Nu bén ik Geertruidenberg. ‘Ik omarm de mensen. Mijn mensen. Zoals de vesting de mensen omarmt.’

Leo haalt opgelucht adem. Als je een hoed opzet, kun je hem niet meer zien. Als je iemand omarmt, word je onzichtbaar, denkt hij, licht filosofisch.

‘Zo. Zo is het goed.’

Na een halfuurtje begint het koud te worden. De vier trappisten beginnen hun kracht te verliezen. Hij staat op en loopt naar huis. Zijn vrouw vraagt niet waarom hij zo laat is.

Het verhaal ‘Omarmen’ schreef ik in opdracht van het BKKC, voor een speciale uitgave met verhalen over vestingssteden in Brabant.

Traditioneel Regelen

Er is in Tilburg weinig te doen tijdens bevrijdingsdag*. Ja, thuis op de bank gaan zitten met een boekje, een plakje cake en een oranjebittertje, maar verder gaat het leven veelal zijn dagelijkse gang. Logisch ook, Tilburg was zeventig jaar geleden al een ruim halfjaar bevrijd en alweer druk bezig aan de wederopbouw. Gelukkig vind ik hulp bij de stadsgids: bij studentenroeivereniging Vidar is er een bevrijdingsfestival waar gewone sterfelijke burgers ook welkom zijn. Er worden zelfs speciale festivalbussen ingezet naar het festivalterrein.

Als ik aankom bij de busstop, staat er al een flinke groep studenten te wachten. Een aantal jongens kijkt stuurs voor zich uit, een aantal meisjes is druk aan elkaar aan het plukken. Tussen de twee groepjes in, staan twee jongens voorzichtig met hun handen in hun zakken. Ze praten niet veel met elkaar, maar kijken een beetje om zich heen.

De bus arriveert. Iedereen stapt in, op weg naar het studenten-bevrijdingsfestival. Net voor de deuren sluiten komt er een groep studentenverenigingsmeisjes aan. Ze gaan in het middenpad staan en zingen hard en vol overgave.

‘Lau gaat regelen, jala lalala, Lau gaat regelen Ja lala lalala.’

Het tafereeltje intrigeert me. Wie is Lau? Waarom is iedereen het erover eens dat ze gaat regelen? Vooropgesteld: wát gaat Lau regelen? Een blik in het studentenwoordenboek biedt uitkomst. Tussen ‘Sloopkogel, klein dik meisje dat nogal is aangekomen tijdens haar studententijd en daardoor heel rond lijkt’ en ‘Pandapunten, punten om aan te geven hoe lang iemand geen seks heeft gehad’ vind ik ‘Regelen’ terug. Het blijkt gewoon om onvervalste neukseks te gaan.

Goed. Lau gaat regelen, dus. En niet zo’n klein beetje ook, als het een beetje in lijn ligt met het enthousiasme van haar vriendinnen. En eigenlijk is dat natuurlijk ook de enige manier om traditioneel bevrijdingsdag te vieren. Zeventig jaar geleden werd er na de officiële bevrijding van het land ook volop geregeld. Men deed niet anders. We zitten als land nog steeds met de gevolgen van al het geregel na de bevrijding. De babyboomers zouden de babyboomers niet zijn als hun ouders niet direct na de bevrijding flink aan het regelen waren geslagen. En geef ze eens ongelijk.

De bus is gearriveerd bij het clubhuis van Vidar. Het festival heeft niet veel om handen. Er staan mensen in een tent en ze drinken bier. Een jongen van een jaar of vijfentwintig draait platen. Een jongen met een niet misteverstane bierbuik houdt zijn studentenjasje bij elkaar met een veiligheidsspeld. Links in de hoek gaan mensen met elkaar op de foto. Ik denk terug aan hoe een vriend laatst mijn columns voor deze krant omschreef: ‘Er gebeurde weer eens niets in Tilburg, en Neggers stond vooraan.’

Na een kwartiertje besluit ik me maar weer om te draaien en naar huis te gaan. Niet met een studentenfestivalbus dit keer: ik loop tien minuutjes om voor lijn 142 naar Centraal Station, een gewonemensenbus.

Terwijl ik terugwandel, denk ik aan Lau. Als ik een paar meter van de festivaltent weggelopen ben, draai ik me nog een keer om. Er kan veel gebeuren vandaag, maar Lau gaat regelen. Traditioneel regelen. En geef haar eens ongelijk.

*In 2015 schreef ik voor het Brabants Dagblad de twintigdelige columnserie Neggers viert feest. Deze column schreef ik indertijd naar aanleiding van Bevrijdingsdag. Inmiddels is er ‘een klein beetje te doen’ in Tilburg, maar eigenlijk is de column nog altijd geldig.

Ben Ali Libi, goochelaar

Als ik de Heikese kerk binnenstap, zit het afgeladen vol. Een man met insignes vertelt me dat ik in principe overal kan gaan zitten waar plek is. Ik loop langs een paar rijen mannen in uniformen. Ze dragen allemaal medailles. Ik knik naar een man met een rood lint om zijn schouders. Hij knikt terug. Dan begint de dienst.

Na de dienst in de kerk lopen we naar het monument van de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene – een monument voor het Nederlands verzet. Een standbeeld voor mensen die geloofden in grote dingen als rechtvaardigheid, vrijheid en verdraagzaamheid, en bereid waren hun leven daarvoor te geven.

Als ik op het monument afloop schiet me ineens een gedachte binnen: die vrijheid en onze rechtsstaat heeft ons veel gebracht. We kunnen zonder gevaar meeleven met een Frans tijdschrift* waar een aanslag op gepleegd wordt. We kunnen allemaal roepen, geloven, tekenen en schrijven wat we willen. We kunnen schelden op de overheid, we kunnen tijdens een bezoek van Poetin in Amsterdam een regenboogvlag hijsen. Het kan eigenlijk allemaal niet op.

Stuk voor stuk kunnen we vrijelijk door de achtertuin van de ratio huppelen. Een achtertuin die aangelegd werd door de mannen en vrouwen van het Nederlands verzet. Omdat ze niet anders wilden en niet anders konden.

Pas op het moment dat de onderbuik van zich laat spreken, wordt er weinig meer gehuppeld. Onze samenleving van rechtvaardigheid en verdraagzaamheid wordt met rode wangen opzij geschoven als het even niet uitkomt. Als het gaat om verdenking van pedofilie, om een juridische dwaling van een allochtone puber, of zomaar een andere verdachte van het een of ander, dan is de ratio vaak even niet meer nodig. En de rechter eigenlijk ook niet. Dan vliegen er kreten over tafel als ‘Als ik zo iemand in mijn handen krijg, dan hak ik zijn tengels of zijn lul eraf.’ Letterlijk citaat.

Als het lelijk wordt, slaan we iemand liever zelf in elkaar dan dat we onze felbevochten rechtsstaat zijn werk laten doen. En dan hoeft iemand nog niet eens honderd procent zeker ergens schuldig van te zijn. Barbertje moet hangen. De wil is er – de meute doet de rest.

Terwijl ik dat denk zet een zenuwachtige trompettist de melodie in die de twee minuten stilte inluidt. Als de jongen klaar is, kijk ik om me heen. Iedereen houdt zich stil. Iedereen herdenkt. Mijn gedachten dwalen weer af. Onze eigen volksvertegenwoordigers willen vluchtelingen geen onderdak bieden, maar ze liefst eigenhandig weer terug de zee in duwen en menig onderbuik knort genoegzaam mee. In het café, in de kantoorkantine en op het voetbalveld, overal klinken dezelfde geluiden: recht en verdraagzaamheid is één ding, het moet niet te ingewikkeld worden.

En precies op dat moment, in de laatste paar seconden van de twee minuten stilte, schiet de één-na-laatste strofe van het gedicht Ben Ali Libi van Willem Wilmink door mijn hoofd.

‘En altijd als ik een schreeuwer zie, met een alternatief voor de democratie, denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar voor Ben Ali Libi, de goochelaar?’

*Deze column schreef ik in 2015 voor het Brabants Dagblad, in de columnserie ‘Neggers viert feest’. Het Franse tijdschrift betrof uiteraard Charlie Hebdo, waarop indertijd een paar maanden eerder een aanslag was gepleegd, die in heel Europa een grote impact had.

Eindejaarsoverpeinzing (tweeakter)

Akte 1: Kerst

Oom Karel zit al op de bank te zuipen
En Ria van hiernaast is boos naar huis
Ons moeder staat te huilen in de keuken

– geschreeuw en dolle hysterie incluis –
Mijn broer ligt stiekem in de tuin te neuken,
met Janneke, de ex van ome Kees

We sleuren ons een weg door onze breuken
en door een veel te groot menu Chinees
Ach, Joop (van Ans) tracht in mijn broek te kruipen.

De kerst: een eeuwig feest van licht en leven
(Kortom van zuipen en van overgeven)

Akte 2: Oud en Nieuw

Er werd een hoop gevochten en gehuild
Er werd een hoop gegeten en gedronken
Er werd een hoop geslapen en gekakt

Er werd wat uitgezet en wat geslonken,
Op ranglijsten gestegen en gezakt,
Er was een aanslag hier, een aanslag daar

We hadden katers, er werd uitgebrakt
En er was wat privé, of openbaar
Er is gepoetst en, ja, er is vervuild.

Van dieptepunt tot andermaal debacle:
kortom, het jaar was weer een groot spektakel.

Vaarwel, Schone Ad

Een van de fijne dingen aan het hebben van een stamcafé, is dat je er na een tijdje een extra familie bij hebt. Of, nou, nee, meer dan een familie. De stamgasten van café Weemoed in Tilburg zijn mijn vrienden, mijn vijanden, mijn ongemakkelijke ooms, mijn lieve tantes en volslagen vreemden ineen. Ik deel mijn diepste zielenroerselen met ze, boven een duvel. Ik bespreek mijn grootste angsten met ze, na een chouffe of acht. We huilen met elkaar, we schreeuwen met en naar elkaar, we geven elkaar rondjes, we slaan boos elkaars glazen om na een uit de hand gelopen discussie. We omarmen elkaar en we spreken af om over een paar weken het vliegtuig naar Italië te nemen. Gewoon, voor de gein.

Maar bij elkaar thuis komen we niet. We weten niet wanneer we jarig zijn. We bellen elkaar niet op. We gaan naar het café, en dan gaan we weer elk ons weegs. Een innige vriendschap met mensen van wie je soms  niet eens de achternaam kent. In het café zijn achternamen ook niet nodig: de mensen heten Lange Piet, Stapper, Koek Henkhenk, Woef, Rob Staart. Of Schone Ad.

Afgelopen week overleed Schone Ad, de grootste paradijsvogel van het Tilburgse nachtleven. De ongekroonde (of zelfgekroonde) Zonnekoning van de Weemoed. Ad was mijn vriend, voor zover vriendschappen tussen stamgasten kunnen bestaan. Als we elkaar zagen omhelsden we elkaar. Als we spraken, spraken we luid en over Grote Dingen. Over het leven. Over Italië. Over de liefde, muziek, literatuur, kunst. Alles. Samen zijn we dronken geworden en dronken geweest. We hebben ongetwijfeld meermaals ruzie gehad, maar zoals dat gaat in het café: ruzies blijven niet goed tot de volgende dag, want soms kan het zwarte gat van een dronkenschap ook genadig zijn. Als niemand een ruzie herinnert, is het dan nog een ruzie?

Tegelijk was ‘Schone’ Ad de Roij bijna een vreemde voor me. Eén keer kwam ik bij hem thuis. Ik weet niet wanneer hij jarig was, en ik had, eerlijk is eerlijk, nog niet eens de moeite genomen om zijn muziekstukken te luisteren. Ja, afgelopen week, toen ik hoorde dat Ad overleden was. Toen ging ik luisteren. Alles achter elkaar. Had ik het maar eerder gedaan, dan had ik hem kunnen vertellen hoe mooi ik ze vond.

Een laatste verhaal over mijn vriend Schone Ad; ik twijfel of ik het wel moet schrijven en ik twijfel al helemaal over het al dan niet publiceren ervan. Toch doe ik het. Een man als Ad verdient een spectaculair einde. Een flamboyante, excentrieke man als Ad verdient een einde dat bezongen wordt. Verdient een heldendicht. Meerdere. Daar wil ik mijn steentje aan bijdragen.

Zaterdag is zijn uitvaart. Ik kan er niet naar toe, want ik moet werken. De wet heeft geen ruimte voor het overlijden van mede-stamgasten. Het is logisch ook: hoewel mensen als Ad zo dichtbij me staan, staan ze ook ver weg. Toch: het maakt het verdriet niet minder. Maar het is goed zo.

Ik zal zaterdagavond na mijn werk de Weemoed, onze common ground, binnenstappen, en er een glas bier bestellen met een blokje ijs erin. Ik zal hard lachen, mijn schoenen extra glimmend poetsen en een pufje parfum extra opspuiten. Ik zal luid praten over Grote Dingen.

Vaarwel Ad. Je was een van de mooiste en bijzonderste snoeshanen die ik ooit trof. De Weemoed zal nooit meer zo feestelijk ruiken nu je weg bent. Ik mis je.

Een gesprekje over vrijheid

HEMA heeft aangekondigd verder te willen zonder kleding te labelen met Voor Jongens en Voor Meisjes. Sommige mensen zijn daar boos over, sommigen zijn er zelfs een beetje bang van geworden. Ik raakte aan de praat met Jacob, een twitteraar die beide leek te zijn. Jacob geeft in zijn bio aan dat hij anti-Islam, anti-EU, anti-Policor en anti-Gutmensch is. Het gesprek duurde lang en bleef best wel beleefd. Ik leerde er allerlei interessante dingen van, onder andere over vrijheid. Voor de leesbaarheid van het gesprek heb ik sommige tweets samengevoegd en aan weerszijden van het gesprek heb ik spel- en tikfouten verbeterd.

MN: “Even voor mijn begrip, hè: het enige wat #HEMA gaat doen, is ‘voor jongens’ of ‘voor meisjes’ weghalen? En daar zijn mensen boos om omdat?”

Jacob: “Vanwege de onnozelheid om zoiets te doen?”

“Het is toch gewoon een commercieel bedrijf dat zijn eigen keuzes mag maken?”

“Oh jawel hoor, alleen die gendertoestanden komen mijn strot onderhand uit, dus mag ik ook kiezen waar ik ga winkelen. Eén op de 250 is mogelijk transgender; het gaat hier dus om een groepje van hooguit 68000 mensen en daarvoor moet ineens heel Nederland aangepast worden? Met een operatie zijn ze beter geholpen”

“Volgens mij gaat het erover dat kindjes mogen aantrekken wat ze mooi vinden, en zo min mogelijk dwingend te zijn met labeltjes. Bovendien vind ik ‘heel Nederland aangepast worden’ grote woorden voor het weglaten van labeltjes in kleren in een winkelketen. Mensen kunnen nog altijd dezelfde kleren kopen, er staat nu alleen niet meer op dat het voor mannen of vrouwen is.”

“Je laat je zoontje geen jurk aantrekken, lullo.”

“En als dat zoontje dat nou graag doet? Ik zie dat FVD/PVV je politieke voorkeur geniet: die zijn toch juist heel erg voor vrijheid? Of geldt vrijheid alleen als het in jouw ideaalbeeld past van wat normaal is?”

“Een zoontje dat een jurk draagt valt niet onder normaal, nee.”

“Toch vechten jouw partijen dagelijks onder andere voor dat jongens die dat willen een jurk aan kunnen trekken. Dat dat oké is.”

“Ik vind dat niet oké, dan ben ik  maar ouderwets.”

“Dan zou ik toch op zoek gaan naar een andere partij, hoor. CDA, misschien? SGP? Die behartigen die belangen denk ik beter.”

“Alleen vanwege dat punt? Hou toch op, er zijn normen en waarden en daar wordt steeds meer vanaf geslepen. Een kind mag ook niet trouwen, moet naar school etcetera. Heeft niets te maken met vrijheid, maar met normen en waarden.”

“Nee, dat heeft te maken met dat kinderen minderjarig zijn, en dus overgeleverd aan de zorg van volwassenen, die ze een zo goed mogelijke kans mee moeten geven in het volwassen leven. Dus niet al getrouwd, en liefst met wat nuttige kennis en vaardigheden. Dat ze lekker mogen dragen wat ze willen is een volledig andere discussie.”

“Zelfde geldt voor roken, drank en drugs: als je kinderen alle vrijheid geeft, komt er niks van terecht.”

“Roken drank en drugs beschadigt de hersenen aantoonbaar. Zeker voor hersenen in de groei is dat problematisch. Ook een andere discussie, dus. Een jongen die gelukkig is als hij een jurk aanheeft, loopt geen hersenbeschadiging op, en is dus niet voor de rest van zijn leven getekend.”

“Ze gaan ook gegarandeerd gepest worden.”

“Er is altijd wel een reden te vinden tot pesten. Pubers pesten. Organiseer scholen zo dat er een veilig klimaat is om jezelf te zijn.”

“Dat maakt verder weinig uit, valt toch buiten de groep. Wordt dan wel in elkaar geslagen buiten schooltijd. Kinderen zijn gemeen. Kinderen moet je beschermend opvoeden, dat betekent dat ze altijd in hun keuzes beperkt worden. Deze discussie is ook grote onzin, want een kind krijgt hooguit transgender neigingen in de puberteit. Dus HEMA is idioot policor bezig. Vanaf de puberteit is er voldoende medische hulp om daar iets aan te doen. Geluk zit niet in een jurk of broek mogen dragen. Een beetje onzin, Martijn.”

“Geluk zit volgens mij o.a. in leven in een maatschappij waar je jezelf kunt zijn. Dus óók, als dat belangrijk voor je is, kunnen dragen wat je wil. Toch? En daarom vind ik het wel mooi dat HEMA daar wat minder dwingend in wil zijn. En éigenlijk is er ook weer niet zo veel veranderd. Alleen die labeltjes. Overigens weet ik niet zeker of jij voor anderen kunt bepalen waar ze gelukkig van worden. Ik moet afronden: mijn bonte was is klaar. Ik vond het een interessant inkijkje in jouw belevingswereld. Fijne avond!”

“Jij ook, Martijn!”

Videoland

Ik herinner mij dat ik in de videotheek sta. Tweeduizend één. Ik ben veertien. Ik loop naar binnen, knik Koen aan de balie vriendelijk toe en loop door naar de weekfilms. Ik loop voorbij films als Dude, where’s my car en Space Cowboys. Ik zie een stelletje dat twijfelt welke romcom ze moeten nemen. Ik zie een groepje mensen lachend bij een rek kinderfilms. Ik loop voorbij Three men and a little lady.

In de hoek van de Europese films blijf ik staan. Als ik me een klein beetje naar rechts draai, kan ik net door een roze kralengordijn heen de pornofilms zien staan. Ik weet wat de collectie is, want ik heb op de website het hele bestand bekeken. Ik ken alle films uit mijn hoofd:

Shaving Ryan’s Privates, A Clockwork Orgy, White Men Can’t Hump, Sexorcist, Battlestar Orgasmica, Beverly Hills 9021-Ho, Lost in Penetration, Sperminator, Pokeahotass, Schindler’s Fist, The return of the gangbang zombies, Good Will Humping, Charlie’s Anals, Fatal Erection, The Bare Bitch Project, Thighs Wide Shut en Sex Trek: Deep Throat Nine.

Ik heb de mannen uit mijn dorp de ruimte in en uit zien lopen. Ik ken de titels. Terwijl ik met de zoveelste comedy van Ben Stiller en Owen Wilson in mijn handen sta, merk ik dat ik – alleen al door te denken aan de rij films van Jenna Jameson en Tera Patrick een stijve krijg.

Langzaam voel ik dat ik rood word. Koen kijkt mijn kant op. Ik hou mijn video van Ben Stiller voor mijn pik. Nu lijkt het of iedereen kijkt: Koen, de drie mensen bij de kinderfilms en ook het verliefde stelletje. Ik voel nu hoe iedereen ziet dat ik denk aan Jenna Jameson die met haar handen op haar billen slaat en ‘Fuck me in my gloryhole’ naar me roept.

Terwijl ik de videotheek rondkijk komt er een meneer binnenlopen in een donkerrode jas. Als hij de hoek bij de detectivefilms omloopt kijkt hij me één keer aan. Het zou – theoretisch gesproken – per ongeluk kunnen zijn. In de hoek bij de Nederlandstalige films kijkt een meisje van een jaar of twaalf naar me. Ik krijg het beeld van Jenna Jameson niet uit mijn hoofd. Ik houd mijn tas voor mijn broek en begin te zweten.

Nu komt er iemand van de videotheek naar me toe. Hij kijkt me even aan. Ik ruik mijn eigen zweet en houd mijn armen stijf tegen mijn lichaam aan.

‘Docu’s mag je deze week onbeperkt huren, trouwens,’ fluistert hij.

‘Pardon?’

‘Huren. Dat vergat ik je net te zeggen.’

Ik voel me betrapt en houd de tas nog dichter bij mijn lul. Hij is op zich alweer half slap, maar half slap of half stijf: dat is altijd maar in the eye of the beholder, natuurlijk. Ik kijk terug naar Koen, aan de balie. Ik ben net te laat om te zien dat hij snel wegkijkt naar zijn beeldscherm.

Er komt een man door het kralengordijntje heen. Hij heeft drie video’s in zijn hand. De bovenste is finding Nemo. Hij glimlacht naar me. Ik glimlach terug. Door lust en spanning gedreven schuifel ik naar het gordijn toe. Net voor ik bij het gordijn ben draai ik weg naar de documentaires over de tweede wereldoorlog. Ik pak een willekeurige video over Joseph Mengele in mijn handen en loop terug naar Koen.

Koen knipoogt naar me. Hij heeft me gezien. Ik weet dat ik geen kant meer op kan.

Een maand later solliciteer ik naar een baantje in een pizzarestaurant. Ik word het niet. Twee weken later ga ik op voor mijn diploma reddingszwemmen. Dat haal ik ook niet. In het halfjaar daarna raak ik vier keer een briefje van vijf kwijt, en twee keer een briefje van tien. Op mijn vierentwintigste (exact tien jaar later inderdaad) wordt mijn aanvraag voor een hypotheek afgekeurd omdat ik een te klein inkomen zou hebben voor een lening.

Toeval? Misschien. Dat zou natuurlijk ook kunnen.

‘Videoland’ was de openingsmonoloog van de theatervoorstelling ‘Wachten op Henny van Oirschot’, die ik maakte met de geweldenaars Mathijs Leeuwis en Lisah Baert.

Walther

Breken zal het startsein zijn. Het kan een maand duren. Een jaar. Drie jaar. Maar breken zal het. Dan zal het beginnen. Het wordt een diepe val. Zo’n val waarbij je geen adem krijgt. Maar op dit punt begint dat hem er steeds aantrekkelijker uit te zien. Hij slaat met zijn vlakke hand in zijn gezicht.

‘Breek nou,’ mompelt hij tegen zichzelf.

Walther bekijkt zichzelf in de badkamerspiegel. Hij houdt zijn buik in. Hij is weer dikker geworden, maar wil er niet aan toegeven. Zijn handdoek past niet meer om zijn middel en hij krijgt mannentieten. Sinds een paar jaar groeien er haren uit zijn schouder. Zijn spieren vervetten steeds een beetje meer.

Hij is een worst geworden. Een goedkope, smakeloze worst. Zo’n worst van een paar cent, met gesmolten kaas erdoorheen. Man, wat is hij arm geworden de laatste jaren. Stakkerig arm. Hij spant zijn spieren aan, of wat er nog van over is. Heel even. Walther is moe.

Toch, denkt hij, terwijl hij zuchtend zijn liezen afdroogt, is er één lichtpuntje. Op een dag breekt het. Allemaal. En dat zal het begin zijn.

Hij scheert zichzelf. Al jaren met hetzelfde mes. Elke dag probeert hij om de plooien van zijn onderkin heen te scheren. Elke dag mislukt het.

 

Dit verhaal verscheen eerder in Quiet 500, als onderdeel van een zkv-ketting met oa. Maartje Wortel, LH Wiener en Lize Spit. De eerste zin van het verhaal is met dank aan Lize Spit.

Geen oudere berichten.